De wonderlijke zoektocht naar een veldwachter (1874–1877)
In de jaren zeventig van de negentiende eeuw werd de gemeente Amby geconfronteerd met een ogenschijnlijk eenvoudige, maar in werkelijkheid zeer ingewikkelde kwestie: het vinden van een nieuwe veldwachter. In mei 1874 trad veldwachter Dassen af, waardoor het dorp een opvolger nodig had om de orde te handhaven en toezicht te houden op de velden en wegen. In die tijd viel de functie van gemeenteveldwachter onder de verantwoordelijkheid van de burgemeester, die kandidaten moest voordragen. De uiteindelijke benoeming werd gecontroleerd en goedgekeurd door de gouverneur, terwijl de procureur-generaal in zijn functie als directeur der politie toezicht hield op de geschiktheid van de kandidaten en hun rapportages. Dit zorgde voor een langdurig proces van correspondentie en advies, waarin de selectie van een geschikte veldwachter een ware bestuurlijke puzzel werd. Kortom, een wonderlijke zoektocht naar een veldwachter (1874–1877).
De staat van de gemeentepolitie eind 19e eeuw
Aan het eind van de 19e eeuw was de politie in kleine dorpen zoals Amby een stuk eenvoudiger — en rommeliger — dan we nu gewend zijn. De gemeenteveldwachter was verantwoordelijk voor bijna alles: toezicht houden op de orde en de buurtwegen, kleine misdrijven afhandelen en processen verbaal opstellen. Hij had nog geen uniform. De burgemeester stelde kandidaten voor, maar de gouverneur moest de benoeming officieel goedkeuren terwijl de directeur der politie controleerde of de kandidaat geschikt was, bijvoorbeeld of hij kon lezen en schrijven.
Sinds 1856 bestond een Rijksveldwachter. Deze trad vooral op buiten de steden, bijvoorbeeld bij landelijk toezicht, stroperij of grenskwesties. Bovendien had hij meer bevoegdheden bij bijvoorbeeld het arresteren dan de gemeenteveldwachter . Om de kosten te besparen werd er vaak een lokale persoon met aanzicht (zoals een jachtopzichter en later ook een gemeentelijke veldwachter) aangewezen als onbezoldigd - dus onbetaald - rijksveldwachter.
Daarnaast was er ook nog de Koninklijke Marechaussee in het zuiden van het land. Dit was een militair korps, opgericht om de openbare orde en de landsgrenzen te bewaken en later ook ingezet voor landelijk politiewerk. Dat deze in het zuiden was gelegerd was geen toeval. Er was op rijksniveau continu een vrees dat de katholieken opstandig zouden worden, in navolging van de Belgen.
In de praktijk betekende dit dat kleine dorpen grotendeels afhankelijk waren van lokale inzet en dorpskennis. Wie de bewoners kende en stevig in zijn schoenen stond kon gezag afdwingen, terwijl opleiding of diploma’s vaak nauwelijks telden. Politiewerk was meer dorpspraktijk dan beroep en dat verklaart waarom brieven over de aanstelling van de Ambyse veldwachter vol hilarische en kritische aantekeningen staan.
De ideale veldwachter die eigenlijk te oud was
Na het vertrek van Dassen werden diens taken waargenomen door Dominique Mulders. Mulders was kantonnier, onbezoldigd rijksveldwachter én – volgens burgemeester Cramer van Brienen – een zegen voor de gemeente. De politie was, zo schreef hij plechtig, nooit beter gedaan dan onder de tegenwoordige waarnemende veldwachter. Inwoners konden zich zelfs niet herinneren dat de betrekking ooit zo goed is waargenomen.
Daarbij kwam nog iets anders, namelijk dat in Amby zwaar woog - en door de burgemeester nadrukkelijk werd benadrukt - dat Mulders tot een familie met enige aanzien behoorde, zo vond de burgervader. In zijn brief aan de gouverneur somde hij dit zorgvuldig op.
Mulders was:
• e oom van de secretaris en gemeenteontvanger (hiermee werd Joseph Mulders bedoeld getrouwd met Gertrudis Mulders. Feitelijk was Dominique Mulders de oom van Gertrudis en niet van Joseph)
• de neef van één van de wethouders (Hij was niet de neef van de hier bedoelde wethouder Lambertus Damoiseaux, maar diens vrouw Maria Helena Mulders was slechts een achternichtje)
• familie van één der raadsleden (waarschijnlijk wordt hiermee zijn neef Jan Willem Mulders bedoeld)
• en de broer van de tolontvanger (onbekend welke broer hiermee bedoeld wordt)
Dominique Mulders: niet zo deftig als het leek
De familie Mulders had zich in de loop van de negentiende eeuw enigszins opgewerkt: sommige leden bekleedden bestuurlijke functies en konden zich met enige bravoure als notabelen presenteren. Dominique Mulders, de kantonnier en waarnemend veldwachter, viel echter buiten die categorie. Hij was geboren in de latere Moonlightbar - destijds ook al café - en woonde met zijn gezin in een oud en klein arbeidershuisje in de Pin; dat pand bestaat inmiddels niet meer en nu staat er Ambyerstraat Noord 164.
Het beeld dat de burgemeester schetste van een “deftige familie” had dus vooral een bestuurlijke bedoeling. In werkelijkheid was Dominique een gewone Ambynees met een degelijk netwerk, wiens gezag eerder voortkwam uit bekendheid en dorpsvertrouwdheid dan uit aanzien of rijkdom. Een elegant contrast met het lofzangachtige taalgebruik van de burgemeester, dat meer op papier bestond dan in het huisje in de Pin.
Justitie bleef echter kritisch. Mulders was inmiddels 69 jaar oud en zijn geletterdheid werd onvoldoende geacht. Bovendien wees de directeur der politie erop dat de combinatie van functies problematisch was. Hij had herhaaldelijk ondervonden dat de veldwachter en kantonnier hun werk niet naar behoren deden. Iets wat zeker het geval zal zijn in een gecombineerde functie. De procureur-generaal concludeerde dan ook dat Mulders niet geschikt is om nog goede diensten en actieve bediening te kunnen vorderen en dat één persoon die functie niet behoorlijk kan waarnemen.
De burgemeester verzette zich, maar moest uiteindelijk toegeven: er moest gezocht worden naar een nieuwe veldwachter.
Kandidaten met gebruiksaanwijzing
Die zoektocht leverde een bont gezelschap op, waarbij vrijwel iedere kandidaat zijn eigen bezwaar met zich meebracht. Zo was er W.F.G.L. Brocard, voormalig sergeant-majoor. De gemeenteraad achtte hem zeer geschikt, maar justitie noteerde onverbiddelijk vele malen dronkenschap, wat zelfs had geleid tot verzekerde bewaring. Daarmee was zijn benoeming onhoudbaar. Hubertus Rompelberg deed het nauwelijks beter. Hij kon volgens justitie nog minder lezen en schrijven dan andere kandidaten en was volstrekt niet in staat om een proces verbaal op te maken. Daar kwam bij dat hij bekendstond als liefhebber van sterken drank en slecht aangeschreven bij de inwoners van Amby. Ook Jan Hendrik Limpens, voormalig vrijwilliger bij de cavalerie, werd slechts als redelijk geschikt beoordeeld. Zijn kansen werden ernstig geschaad doordat zijn echtgenote enkele jaren eerder voor de rechtbank te Maastricht veroordeeld was wegens winkeldiefstal. Joannes Hendrikus Leukel, die als plaatsvervangend milicien (dienstplichtige soldaat) bij het 2e regiment infanterie had gediend, had een andere smet op zijn blazoen: hij was over een paar jaren geleden veroordeeld wegens een jachtdelict. Zijn gedrag werd verder wel als goed beschouwd. Tenslotte was er Joannes Wilhelmus Jennekens, gehuwd en vader van drie kinderen, met vrij goed gedrag en een even vrij goede geschiktheid, maar zonder enige bijzondere aanbeveling. De slotsom was even helder als ontmoedigend: Geen der kandidaten is bijzonder aan te bevelen.
Alle vreemdelingen worden alhier slecht aangezien
Alsof het gebrek aan geschikte kandidaten nog niet genoeg was, speelde in Amby een hardnekkig sentiment: een veldwachter moest bij voorkeur van hier zijn. De burgemeester verwoordde dit ongezouten in zijn brief aan de gouverneur in 1877. Buitenstaanders moesten zich niet met de zaken inmengen. Wie niet in Amby geboren was, had hier weinig gezag. Ook al had die persoon grondposities kunnen verwerven. Dorpsvertrouwen woog zwaarder dan opleiding of ervaring.
Delahaije: niet geleerd, wel fatsoenlijk
In april 1877 meldde zich Joannes Delahaije, geboren in Amby in 1828, warmoezier (groenteman) van beroep, gehuwd met Maria Hubertina Sour en zonder kinderen. De burgemeester noemde hem de fatsoenlijkste die zich tot noch toe heeft opgedaan.
Zijn verdediging werd zorgvuldig opgebouwd. Vastgesteld werd dat zowel hij als zijn vrouw zeer goed gedrag hadden, dat hij nooit misbruik maakt van sterken drank en nooit beschonken of ongeschikt was gezien. Ook zijn familie werd uitvoerig genoemd: een zuster gehuwd met de koster, een andere met de oproeper en afslager bij openbare verpachtingen en verkopen bij notaris Boots, een derde met een schoenmakersbaas, en een zwager die pachter was op een landbouwhoeve met twee paarden.
Zijn zwakke punt was bekend: Delahaije kon zeer weinig lezen en schrijven en was zonder hulp niet in staat een proces verbaal op te stellen. Daarom achtte de gouverneur zijn benoeming verre van wenschelijk. In geen enkel geval mocht hij aangesteld worden als veldwachter. De burgemeester zal eens diep hebben gezucht. Eerst was Mulders niet goed, en deze was dat ook al niet. Hij gaf echter niet op en bleef aandringen op aanstelling van Delahije. Deze kandidaat moest maar goed zijn! Hij ontkrachtte de argumenten van de gouverneur:
Het is niets zeldzaams dat een veldwachter niet zonder hulp een proces verbaal kan opstellen.
Ik heb secretarissen gekend, die niet in staat waren om zonder hulp het eerste jaar een behoorlijk proces verbaal te redigeren.
Er volgde nog een kritische noot van de burgemeester:
Uwe excellentie gelieve ook in aanmerking te nemen dat men voor een tractement (salaris) van fls 225,- niet een hoog geleerde persoon kan vergen.
Met tegenzin toch akkoord
De directeur van politie en de officier van justitie bleven bezwaren houden. Delahaije had veel familie in het dorp en zou daardoor in een valsche positie kunnen geraken. Ook zou hij niet geheel drankvrij zijn. Maar de conclusie was onontkoombaar: als er niemand anders was, dan kon zijn benoeming worden geduld.
En inderdaad: er was niemand anders.
Op 26 september 1877 drong de burgemeester nogmaals aan. Delahaije was, zo schreef hij, de enigste geschikte kandidaat. Kort daarop volgde de benoeming op 16 oktober 1877, na dik twee jaar gebakkelei.
Een benoeming als compromis
Zo kreeg Amby uiteindelijk zijn veldwachter: niet de jongste, niet de meest geleerde, maar wel een geboren Ambynees met een keurige familie en een aanvaardbare reputatie. Het dossier laat zien hoe bestuur in een negentiende-eeuws dorp werkte: via familiebanden, sociale verhoudingen en een flinke dosis pragmatisme.
En bovenal leert het ons dat men in 1877 al heel goed wist:
voor 225 gulden per jaar moet je geen wonderen verwachten!
Trivia
- Henri Essers was de laatste veldwachter van de gemeente Amby
- In het oude raadhuis (thans scoutinggebouw) bevindt zich nog de Gevangenis van de veldwachter
- Op deze foto uit 1905 staat een gedeelte van de familie van veldwachter Delahaije
| Bronnen, noten en/of referenties
Tekst:
Foto's/afbeeldingen:
|