Fakenews in 1790, een intrige van twee heren uit Amby (deel 1)
Op 31 maart 1790, in de vroege ochtend, stapt een troepje soldaten het erf op van Hoeve Waterrijk. Hun missie was de aanhouding van oud luitenant kolonel De Salve de Bruneton. Hij was eigenaar van de boerderij met herenhuis, dat hij als zomerverblijf gebruikte. ’s Winters woonde hij aan het Vrijthof in Maastricht, maar van het vroege voorjaar tot laat in het najaar verbleef hij op zijn landgoed in Amby. Daar kwamen de soldaten hem ruw van zijn bed lichten. Samen met zijn compagnon Van Slijpe, de eigenaar van Huize Severen, hadden zij een ronduit smerige samenzwering opgezet over verraad en corruptie. Compleet met vals bewijs en omgekochte getuigen. Fakenews in 1790, een samenzwering van twee heren uit Amby die totaal anders afliep en met desastreuze gevolgen… Wat volgde was een lange juridische strijd tussen enerzijds de heren van Severen en Waterrijk in Amby en aan de andere kant de heer van het kasteel Haeren bij Voerendael. Voor de leesbaarheid is het artikel daarom opgeknipt in meerdere delen.
Patriotten en orangisten
Om de achtergrond van dit verhaal te begrijpen duiken we eerst kort in de geschiedenis. In de achttiende eeuw was er in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (ongeveer het huidige Nederland) een einde gekomen aan de Gouden Eeuw. Economisch ging het al langer niet meer voor de wind en daarbij verklaarde Engeland de oorlog aan Nederland in 1780. Op de vraag hoe het nu verder moest raakte men verdeeld in twee polariserende kampen: de patriotten en orangisten. De patriotten waren beïnvloed door de revolutionaire ideeën van de toen opkomende Verlichting. Zij keerden zich tegen de stadhouder Willem V. Ze zagen een corrupt en ondoorzichtig politiek systeem met regeerders die enkel hun eigen belang voor ogen hadden en een stadhouder die weinig tot niets voor het volk deed. De patriotten streefden naar vrijheid, gelijkheid en meer inspraak in het landsbestuur[1]. Met een beetje fantasie kun je het patriottisme zien als een voorloper van de Franse Revolutie die enkele jaren later in 1789 zou losbarsten.
De gemoederen liepen hoog op en de kampen kwamen steeds verder tegenover elkaar te staan. In 1787 proberen de patriotten de macht over te nemen en pleegden zij een staatsgreep met de bedoeling om Willem V af te zetten. Dit werd met hulp van Duitse legers ternauwernood voorkomen. De patriotten konden niet op tegen de goedgetrainde Pruisische soldaten en moesten hun veroverde machtspositie weer snel verlaten. De Oranjes kwamen weer terug aan de macht. Een Nederlandse Revolutie werd in de kiem gesmoord. Na deze nederlaag werden patriotten gevangengezet of aangevallen door orangisten. Veel patriotten vluchtten daarom naar Frankrijk[2]. Onder hen ook veel militairen die tijdens de opstand als patriot hadden gestreden. Ook hoge officieren, zoals de kolonel Rogier Suljard de Leefdael. Hij werd verbannen en mocht nooit meer terugkeren naar de republiek. Zodoende kwam hij in Frankrijk terecht. Hij speelde een grote rol tijdens de machtsgreep en werd door de orangisten gezien als een vijand van de staat. Daarom werd hij goed in de gaten gehouden door de Nederlandse overheid. Kolonel Suljard de Leefdael zal een belangrijke rol spelen in het complot dat in dit artikel uit de doeken wordt gedaan. Over het algemeen speelde de strijd tussen de orangisten en de patriotten zich in ‘Holland’ af. Aan onze regio ging de strijd nagenoeg voorbij. Dat was ook niet gek, de Staatse Landen van Overmaas (waartoe Amby en grote delen van Zuid Limburg behoorden) een zogenaamd Generaliteitsland en werden rechtstreeks bestuurd door de Staten-Generaal in Den Haag. Er was weinig bestuurlijke invloed en men moest vooral luisteren. Politiek was voor de meeste mensen iets waar ze nog nooit van gehoord hadden, men keek hier niet verder dan de eigen kerktoren. Den Haag was in die tijd zowel letterlijk als figuurlijk ver weg. Voor enkele regentenfamilies in deze streek lag dit anders. Deze families waren vanuit Den Haag aangesteld om delen van het huidige Zuid-Limburg te besturen omdat er lokaal geen geschikte kandidaten waren te vinden. Katholieken waren immers door de gereformeerde Republiek uitgesloten van onder meer bestuursfuncties. Telgen uit ‘Hollandse’ gereformeerde families kregen zo een mooi baantje toegeschoven. Dit waren met name families die al ervaring hadden in het besturen of militaire roem hadden verworven. De patriotten daarentegen richtten zich tegen de verstikkende macht van juist deze regentenfamilies die zichzelf eeuwig in het zadel hielden, functies onder elkaar verdeelden en elkaar koste wat kost uit de wind hielden. Zij streden voor meer inspraak en een betere volksvertegenwoordiging.
Wie is wie?
We stellen nu eerst deze belangrijkste spelers aan je voor.
Johan Antonie Christiaan de Salve de Bruneton (De Salve) was ten tijde van dit verhaal oud luitenant-kolonel in dienst van het Staatse leger. Geboren in 1744 te Sri Lanka, omdat zijn vader koopman was en vanuit dit land handel dreef voor de VOC. Hij was getrouwd met Arnoldina Elisabeth Heldewier[3]. Zij was een telg uit een voornaam protestants geslacht met een lange militaire traditie. Deze familie vervulde in de zeventiende en achttiende eeuw vooraanstaande bestuursfuncties in de stad Maastricht en in Staats-Overmaas. De Salve woonde aan het Vrijthof en was eigenaar van het heerehuys met pachtboerderij dat tegenwoordig de naam Hoeve Waterrijk draagt. Dit was het zomerverblijf voor de familie. Een plek om vanaf het vroege voorjaar tot het late najaar de drukke, stinkende stad te ontvluchten. Zijn landgoed reikte tot aan de landerijen van Van Slijpe. Deze heren waren dus buren. Maar ze waren meer dan dat, óók De Salve was een aanhanger van de Oranjes. In dit verhaal ligt de focus vooral op De Salve, omdat over zijn rol veel bewaard is gebleven in de archieven.
Mr. Willem Hendrik van Panhuys was een uit Maastricht afkomstige jurist en bestuurder die een belangrijke rol speelde in Staats-Overmaas. Hij kwam uit een voornaam protestants regentengeslacht en bouwde zijn loopbaan mede op de posities die zijn vader en broer al vóór hem innamen, wat hem de weg naar invloedrijke functies vergemakkelijkte. Zo werd hij onder meer landsadvocaat, rentmeester van de domeinen en commissaris-instructeur in Maastricht. Ook vertrouwde de Staten-Generaal hem speciale opdrachten toe, waaruit blijkt dat hij een kundig man was. Zijn aanzien onderstreepte hij door de aankoop en ‘restauratie’ van het vervallen riddermatig kasteel Haeren bij Voerendaal, waarna hij bij hoge uitzondering werd toegelaten tot de Ridderschap van Staats-Valkenburg. Ondanks zijn voorname afkomst had hij revolutionaire gedachten, die zijn loopbaan wel eens in de weg stonden. In 1786 was Van Panhuys zelfs lid van een vrijmetselaarsloge. Vrijmetselaars waren erg beïnvloed door de nieuwe idealen uit de Verlichting [4]. De verstandhouding tussen hem en Van Slijpe en De Salve was zwaar verstoord. Beter gezegd, de heren stonden elkaar naar het leven. Zo schold De Salve Van Panhuys in de Groote Sociëteit in Maastricht uit voor schoelje en canaille.
Pieter Habets en Nijst Trachts waren twee boeren uit Klimmen die door Van Slijpe en De Salve werden omgekocht en zo opeens een belangrijke rol speelden in onderstaand verhaal. Pieter Habets was een geboren en getogen Klimmenaar en een kleine zelfstandige boer. Hij bezat een kleine boerderij met gepachte grond. Van zijn boerenwerk was hij niet rijk geworden, maar hij en zijn gezin konden er goed van rondkomen. Hij was gehuwd met Anna Maria Heyenraad. Hij en zijn vrouw waren ongeveer vijftig jaar oud en hadden waarschijnlijk zeven kinderen. Zijn zoon Jan was knecht bij De Salve op hoeve Waterrijk. Nijst Trachts was afkomstig van en woonachtig in het buurschap Retersbeek. Hij was rond de 49 jaar oud. Hij was gehuwd met de vijfendertigjarige Joanna Maria Godding. Het echtpaar had twee kinderen. Het kleine gezin woonde in bij haar moeder.
Kerktorenpolitiek of landelijke strijd?
De verstandhouding tussen de orangisten Van Slijpe en De Salve aan de ene kant en Van Panhuys aan de andere kant gaat verder dan een persoonlijke ruzie. Het raakt zelfs landelijke belangen. De aanloop van de ruzie is complex, maar in ieder geval ging het in 1785 goed mis. Toen werd de vice-schout Van Slijpe door Van Panhuys beschuldigd van geheime contacten met de hertog van Brunswijk. Dat was een zware verdenking, want Brunswijk had jarenlang een bepalende rol gespeeld als vertrouweling van stadhouder Willem V, maar was intussen in ongenade gevallen en vertrokken naar Oostenrijkse dienst. Veel mensen zagen hem nog steeds als iemand die achter de schermen probeerde invloed uit te oefenen, of die zelfs plannen smeedde om met buitenlandse steun weer macht te krijgen in de Republiek. Contact met hem gold daarom als uiterst verdacht, bijna als landverraad. Het officiële onderzoek leverde uiteindelijk geen bewijs op. Toch bleef de verdenking aan Van Slijpe kleven, omdat de hele zaak van meet af aan politiek gekleurd was. Zowel Van Brunswijk als Van Slijpe waren orangisten. Hun tegenstanders, de patriotten, waren in deze jaren sterk in opkomst. Landelijk hadden zij de macht nog niet in handen, maar in veel steden wonnen ze terrein, vaak ten koste van orangistische bestuurders zoals Van Slijpe. Van Panhuys nam hier ook op gematigde wijze deel aan. Hij was nauw betrokken bij het onderzoek naar Van Slijpe en steunde de aanklachten, waarmee voor Van Slijpe duidelijk werd dat het proces tegen hem niet eerlijk verliep, maar vooral bedoeld was om hem aan zijn stoelpoten te zagen. Zo groeide een juridisch onderzoek uit tot een persoonlijke strijd. Hier ligt de kiem van de blijvende vijandschap tussen de twee. En het begin van een vete die zijn weerga niet kende[5].
De beschuldiging
De zelfingenome Van Slijpe was diep geraakt door het onderzoek naar zijn functioneren. Hij kwam er met een reprimande vanaf, maar zijn naam was besmet en hij zwoer wraak. De tijdsperiode was voor hem niet gunstig, de patriotten hadden namelijk in veel plaatsen de macht gegrepen. Maar in 1789 zat Willem V weer op zijn post als stadhouder en deelden de orangisten de lakens uit. De Oranje aanhangers legden de verslagen patriotten het vuur aan de schenen. Ze werden bespot, verbannen en hun goederen geconfisqueerd. Van Panhuys was een gematigde patriot en het lukte hem om de aantijgingen tegen hem te weerleggen. Hij zwoer trouw aan het Oranjehuis en nam afstand van het patriottisme. Als iemand het tegendeel kon bewijzen loofde hij 100 gouden munten uit voor de armen. Hij werd geloofd, werd verder met rust gelaten en hij mocht zijn functie als rentmeester behouden.
Van Slijpe en De Salve wantrouwden zijn ‘bekering’ en achtten de tijd rijp voor revanche. Samen met De Salve smeedde hij een plan om Van Panhuys ten val te brengen. Ze moesten enkel iets hebben waarmee ze dat konden doen. Dat bleek niet zo moeilijk. Het was bekend dat Van Panhuys patriottische sympathieën had, maar wijselijk liet hij zich hier zelden over uit. Maar waar rook is, is vuur, zo zullen Van Slijpe en De Salve gedacht hebben. Ze bedachten dat Van Panhuys een grote patriot was en een negatieve houding jegens de Oranjes had. Als klap op de vuurpijl zou hij onderdak hebben verleend aan zijn vriend Suljard de Leefdael (Suljard). Deze ex-kolonel was een van de aanvoerders van de patriotten geweest tijdens hun machtsgreep enkele jaren daarvoor. Dit werd hem zwaar aangerekend, oftewel: hoogverraad. Hij werd verbannen en mocht nooit meer een voet zetten op het grondgebied van de Republiek. Suljard werd hierdoor gezien als een staatsvijand. Onderdak bieden aan een staatsvijand was natuurlijk een zware misdaad. Zeker voor een topambtenaar als Van Panhuys had zoiets grote gevolgen; hij had een voorbeeldfunctie! [6] Het klonk eenvoudig. Het enige aandachtspunt was de geloofwaardigheid van Van Slijpe en De Salve. Iedereen wist dat zij vijanden waren van elkaar. Dat maakte hun beschuldiging ongeloofwaardig. Ze staken de hoofden bij elkaar en bedachten het volgende: In juni 1788 zou Van Panhuys op zijn kasteel Haeren in Voerendaal veertien dagen lang onderdak hebben geboden aan de kolonel baron Suljard. Ze moesten nu op zoek naar getuigen die wilden verklaren dat deze beschuldiging waar was. Maar wie wilde zoiets verklaren? Onder de orangisten waren wel kandidaten te vinden die mee wilden werken. Maar ja, dat waren orangisten en net zoals de heren zelf niet overtuigend. Patriotten gingen hun eigen vriend zeker niet verlinken, nog niet voor een mooie beloning.
Ze zochten iemand die ver van de strijd tussen de patriotten en orangisten afstond. Zonder enig belang, of beter nog, zonder enig idee wat de gevolgen konden zijn. Mensen deden alles voor geld dus voor een leuke financiële beloning moest er een neutraal iemand te vinden zijn die dit verhaal wilde bevestigen. Van Slijpe en De Salve besloten een paar lokale boeren te vragen. Die arme lui deden alles voor een grijpstuiver en hadden toch geen flauw benul van wat ze zeiden. Ze hoefden enkel te beweren dat ze tijdens hun werk op het land de verbannen kolonel-baron zagen bij Van Panhuys op het kasteel in Voerendaal. Zeker als dit officieel werd vastgelegd door een notaris kon er niks mis gaan. Notaris Rooth uit Maastricht was eveneens een felle aanhanger van het huis van Oranje. Ze zouden hem vragen te assisteren. En ze hadden ook wel een boer in gedachte die hen van dienst kon zijn. Ze waren blij met hun plan. Dit zou het onomstotelijke bewijs leveren waarmee de beschuldiging wel geloofd moest worden waarmee Van Panhuys ten val kon worden gebracht. Hoe moeilijk kon dit zijn, dit kon niet mislukken. Van Panhuys zou vallen!
De getuigen worden gevonden
De Salve verbleef op dat moment op zijn landgoed Waterrijk in Amby. Hier werkte ook zijn knecht, de nog jonge Jan Habets uit Klimmen. Hij woonde bij zijn meester en had er een eigen knechtenkamer. Op zekere dag was De Salve op visite bij zijn buurman Van Slijpe op huize Severen. Toen Jan zijn meester ging ophalen met de koets werd hij daar uitgenodigd om naar binnen te komen. Hier trof hij naast zijn meester, de oud-burgemeester van Maastricht De Jacobi en de heer Van Slijpe zelf aan.
De Salve sprak hem vervolgens amicaal toe: “Jan, gy zoud my een plaisier kunnen doen!” Vervolgens legde hij hem uit wat de bedoeling was. Hij zou de volgende dag naar kasteel Haeren in Voerendaal moeten gaan en daar contact moeten opnemen met de pachtboer die daar woonde. Jan moest doen alsof hij een paard kwam kopen. Als hij eenmaal met de boer in gesprek was, moest hij hem tussen neus en lippen door vragen of omstreeks St. Jan van het vorige jaar (24 juni 1788) een gebochelde heer op het kasteel was geweest en of die heer de ex-kolonel Suljard was geweest. De Salve voegde er aan toe dat hij daar niemand kwaad mee kon doen, want het ging slechts om een weddenschap. De zogenaamde tegenstander in deze weddenschap beweerde dat Suljard toen niet bij Van Panhuys op het kasteel was geweest. De Salve was er echter van overtuigd dat Suljard er wél was geweest. Als Jan dit wilde navragen kreeg hij hier een vergoeding voor. Jan had de opdracht van zijn heer aangenomen. Toen hij ’s avonds in de slaapkamer zijn heer hielp bij het aan- en uitkleden, drukte deze hem op het hart dat hij een getuige uit Klimmen moest meenemen zodra hij bij die boer langs ging. Deze getuige kon dan het verhaal van de pachter beamen. Beiden konden ze een carolien (een zilveren gulden) verdienen als zij maar bereid waren om naderhand een officiële verklaring af te leggen van hetgeen ze hoorden van de pachter.
Jan Habets vertrok de volgende dag naar Klimmen. Daar aangekomen bezocht hij meteen zijn ouders, die zich verbaasd afvroegen wat hun zoon kwam doen. Hij vertelde hen wat zijn heer gevraagd had en vertelde daarbij dat het slechts om een weddenschap ging. In tegenstelling tot wat hij met zijn heer had afgesproken, ging Jan echter niet naar het kasteel van Van Panhuys in Voerendaal. Hij vreesde namelijk dat hij de pachter, die familie van hem was, met zijn vragen in verlegenheid zou brengen. Daarom vroeg hij aan zijn vader of deze soms iemand anders kende die kon weten of Suljard op het kasteel was geweest en dit wilde verklaren. Pieter Habets wilde wel meewerken om die zilveren gulden te verdienen. Hij kende namelijk iemand die als knecht op het kasteel had gewerkt; die wist dat ongetwijfeld. Toen Jan de volgende dag terugkwam bij zijn heer in Amby, vertelde hij het smoesje dat hij de pachtboer niet op Haeren had aangetroffen. Maar, zo zei Jan, zijn vader zou proberen om iemand anders te vinden die Suljard kon hebben gezien.
Het was 1 maart 1789 toen vader Pieter Habets zijn dorpsgenoot Nijst Trachts probeerde te verleiden tot een uitspraak. Eerst vroeg hij listig of Nijst zich niet een heer herinnerde die “met zijn hoofd voorover gebukt liep (…) en één of twéé handen op zijn rug had gehouden”, net zoals De Salve aan zijn zoon had verteld hoe Suljard te herkennen was. Toen Nijst toegaf zo iemand wel gezien te hebben maar aarzelde of dit wil die kolonel was geweest, zette Habets door: “O mijn lieve Nijst, dat is immers zeeker, dat het Suljard is geweest (…) gij moet ook daar over geen bedenkingen maken, want daar risqueeren wij niets bij, wij zullen zelfs ieder een Carolijn van den Heer de Salve krijgen.” Nijst hield echter vol Suljard niet persoonlijk te kennen, waarop Pieter hem verzocht om maar eens met hem mee naar Maastricht te gaan. Hij kon dan kennis maken met de heer De Salve. Nijst stemde schoorvoetend in, maar het zat hem niet lekker.
Binnen twee dagen werden Nijst en Pieter gevraagd om naar het huis te komen van De Salve in Maastricht aan het Vrijthof. Ze werden hartelijk ontvangen en kregen zelfs eten en drinken zoveel als zij lustde. In het huis troffen zij naast De Salve en zijn vrouw Marie Elisabeth Arnoldine Heldewier, ook Van Slijpe aan. Nadat Van Slijpe hen vroeg of zij de heer Suljard kenden, moesten de twee boeren uit Klimmen even nadenken wat te antwoorden. Mevrouw de Salve nam vlug het woord; “Ja mijn heer, dien man (wijzend naar Nijst) heeft hem gesien, ook Piter heeft hem sien in de koets sien langs rijden. Sij weten het gansch wel (helemaal zeker), sij kennen hem aan sijnen bult en sijne dicke neus, de hand had hij meestendeels op den rug als hij wandelde.” Zij antwoordde als het ware voor Pieter en Nijst. Nijst voelde zich ongemakkelijk en in een hoek gezet. Dit ging hem wat snel maar wat kon hij inbrengen tegen dit voornaam gezelschap? Voorzichtig zei hij dat hij dit niet met zekerheid kon zeggen, omdat hij de Suljard niet kende. Nijst en Pieter hoorden hoe hun gastheren en dame in het Frans overlegden. Vervolgens mochten ze in de keuken wachten, onder het genot van spijs en drank, tot de avond wanneer een notaris zou komen om hun verklaringen op papier te zetten.
In de avond kwam inderdaad een notaris, Rooth genaamd, de kamer binnen. Hij stelde een akte op die hij met Van Slijpe in het Frans besprak. De twee landmannen moesten nu weer hun verklaring afleggen. Twijfelend vertelden zij wat ze wisten. De notaris schreef driftig mee en na afloop werd de akte voorgelezen. Maar het was moeilijk voor de ongeletterde en ongeschoolde landarbeiders om te begrijpen wat de notaris voorlas. Het waren moeilijke woorden en de chique heren spraken onderling continu Frans. Ze twijfelden, maar de heren zouden het wel weten, te goedertrouw tekenden zij de akte. Met een kruisje uiteraard, hun naam konden ze niet schrijven. Ze bleven slapen en daags erna werd hun verklaring nogmaals onder ede afgenomen voor een aantal vreemde heren. Dit waren de schepenen van de stad. Ze vertelden wat ze dachten dat goed was. Toen dit achter de rug was konden ze opgelucht huiswaarts keren. Wat een ophef voor een simpele weddenschap dachten ze bij zichzelf. Als dank kregen ze door De Salve wat kleingeld in de handen gedrukt waarbij hij hen beloofde: ‘Vrienden, zo het wel uitvalt, zal ik uw ieder een goede koeij in uwen stal geeven’.
Wat was het nu voor een akte die daar werd opgesteld? Voor de notaris verklaarden Pieter en Nijst – en bevestigden dit een dag later onder ede – dat kolonel Suljard in de zomer van 1788 samen met zijn vrouw zo’n veertien dagen op het goed van rentmeester Van Panhuys in Voerendaal verbleef. Nijst, die er als paardenknecht werkte, had de kolonel en zijn vrouw dagelijks zien wandelen. Pieter had hem in een koets langs zijn huis zien rijden. Beiden verklaarden bovendien dat de vrouw van Suljard nog twee weken langer was gebleven; een ‘dikke, mooie vrouw die veel jonger was dan haar man.’
Van Panhuys verweert zich
Logisch dat deze officiële verklaring bij Van Panhuys insloeg als een bom. Vanwege zijn sympathieën werd hij wel vaker met argusogen bekeken. Zeker in deze tijd waarin de prinsgezinde orangisten weer aan de macht waren. Er was veel ophef rondom hem geweest nu alle patriotten vervolgd werden. Net nu hij hoopte dat de gemoederen bedaarden werd hij beschuldigd van iets heel ernstigs. Een verdenking als deze kon hij als rentmeester in dienst der Generaliteit niet gebruiken. Indien deze nieuwe getuigen geloofd werden zou men Van Panhuys veroordelen wegens hoogverraad. Dat maakte zijn positie totaal onmogelijk. Als hij nu niets ondernam, zou dit het einde van zijn carrière betekenen.
De boeren waren inmiddels weer in hun dorp Klimmen waar het een paar dagen later gonsde van de geruchten. Nijst voelde dat het niet goed zat en besefte dat er in die akte iets anders stond dan wat hij bedoeld had. Hij werd bang dat hij iets verkeerds had gezegd met grote gevolgen. Wanhopig ging hij overal te rade. Ook bij meneer pastoor. Deze hield hem voor dat hij niet zalig kon worden in het hiernamaals als hij de valse verklaring niet zou herroepen. Een paar dagen later werd hij bezocht door twee vrienden van Panhuys. Zij wilden Nijst graag spreken en zetten hem onder druk om zijn verklaring te herroepen. Nijst wist niet meer wat goed of slecht was. Weenende en schreijende vroeg, of beter smeekte, hij de heren wat hij toch moest doen. Ze kwamen overeen dat Nijst een nieuwe verklaring zou afleggen voor een notaris wat ook geschiedde op 11 maart. Dit keer met de échte waarheid. Zo verklaarde hij dat hij op een ongehoorde en ongeoorloofde manier door Pieter Habets was misleid. Alles wat notaris Rooth op die dinsdagavond in maart op papier had gezet, was derhalve valsch, on waaragtig, en bezijden de waarheid. Hij was er zeker van en willende daarop leeven en sterven dat hij de ex-kolonel Suljard absoluut niet had gekend.
Nijst kende intussen geen rustig ogenblik meer. Zijn vrouw en zijn schoonmoeder, die zagen hoe achterdochtig en opgejaagd Nijst zich gedroeg, spoorden hem dan ook aan om zoveel mogelijk alle contacten te vermijden. Waarschijnlijk geholpen door Van Panhuys dook hij onder in Rekem (B.) Hier kon niemand hem vinden en zou hij zijn rust vinden. Voor even… Met Pieter Habets leek het intussen allemaal wel goed te gaan. Hij gaf weliswaar toe dat hem geld beloofd was voor zijn verklaring in Maastricht, maar wat hij daar had verklaard was de opregte en zuivere waarheid geweest en, wat er ook gebeurde, hij zou in die waarheid volharden, hoewel hij toegaf dat zijn woorden iets anders op papier waren gezet. Hij had enkel de koetsier van Suljard gezien bij zijn huis.
Pieter en Nijst moesten beiden dealen met de gevolgen van hun verklaring. Hoewel het voor de ene heftiger was dan voor de ander, moest het ergste nog komen.
Achter slot en grendel
Voor Van Panhuys stond namelijk vast dat deze getuigen een valse verklaring hadden afgelegd. Maar hij had die getuigen nodig om dit onder ede te verklaren. Een vlucht kon hij niet gebruiken. Van Panhuys vond het hierom verstandig om beide boeren op te sluiten. Via zijn contacten in Den Haag kwam dan ook snel het bevel om beide boeren te arresteren vanwege vluchtgevaar. Pieter werd al snel in de kraag gevat en kwam in de gevangenis in de St. Pieterspoort in Maastricht terecht. Maar niet voordat hij onder strenge bewaking door de straten van de stad moest lopen zodat de hele stad kon zien wat er gebeurde. Niet veel later werd ook Nijst gevonden, die aanvankelijk ondergedoken zat in Rekem en deze werd eveneens in een cel gezet. Na een paar dagen werden de twee dorpsgenoten weggevoerd naar Den Haag. Twee zonen van Pieter stonden buiten de gevangenis op hem te wachten. Het werd een emotioneel afscheid. De jongens zagen hun zwaar bewaakte vader naar buiten strompelen en plaatsnemen in een koets. Het afscheid was vluchtig. Hun vader vertrok nu naar het verre Den Haag. Dagen zou hij onderweg zijn. En wie wist hoelang hij weg zou blijven?
Wordt vervolgd…
Dat er een hard en ongenadig spel over de rug van de boeren wordt gespeeld is ze inmiddels duidelijk geworden. Maar ze kunnen nog niet weten wat hen allemaal te wachten staat. In deel 2 wordt het verhaal vervolgd met het verhaal van de tijd in de gevangenis in Den Haag, de impact op de boeren én ook op de gevolgen voor de ‘heren’ van Waterrijk en Severen. Bronvermelding
Bronnen, noten en/of referenties
Afbeeldingen:
Voetnoten: [1] Bijltjesdag: prinsgezinden en patriotten vechten in Kattenburg – ONH |