Fakenews in 1790: Een complot van nationaal belang? (deel 2)

Uit Amiepedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoeve Waterrijk aan de toenmalige Eindstraat in de jaren 1950

In het eerste deel, lazen we hoe de heren Van Slijpe, ‘kasteelheer’ op huize Severen en de heer van het landgoed Waterrijk in 1789 een list smeden om hun rivaal de heer Van Panhuys van het politieke toneel te doen verdwijnen. Zij zelf waren orangisten en Van Panhuys was een patriot, een voorstander van democratisering en van vergaande hervormingen. Deze hervormingen, zoals het afschaffen van ‘verkopen’ van bestuursfuncties binnen de regentenfamilies, was een ware bedreiging voor de heren Van Slijpe en De Salve de Bruneton. Zij vonden een stel arme boeren bereid om tegen betaling een belastende verklaring tegen Van Panhuys af te leggen. Deze verklaarden onder ede dat hij gezien was met een staatsgevaarlijke en verbannen patriot. Ze waren zich niet bewust van de vergaande gevolgen. Er kwam namelijk een officieel onderzoek en om te voorkomen dat de boeren zouden vluchten werden ze in voorarrest genomen in de gevangenis van Den Haag. Wat begon als een pesterij was uitgelopen op een complot van nationaal belang die in dit tweede deel uit de doeken wordt gedaan…

De familie Habets in het gevang

Vanuit Den Haag kwam al snel de opdracht om ook de vrouw van Pieter en de zoon Jan, de lijfknecht van De Salve, te arresteren. De gedachte was dat zij ook een rol hadden vervuld in dit verhaal. Nu was de vrouw van Pieter een echtgenote die de kans met beide handen aangreep om haar man te helpen en bij te staan. Een arrestatie was niet nodig; zij ging uit eigen beweging mee naar Maastricht en als het moest naar Den Haag! Hun zoon Jan werd op de hoeve Waterrijk te Amby in de kraag gevat. Dit was echter nog niet voldoende. Ook de inwonende (schoon-)moeder moest mee naar Den Haag. Een lange reis voor een vrouw die mank en hulpbehoevend was. Zij was 65 jaar, in die tijd een respectabele leeftijd, met een lijf dat totaal versleten was door jarenlange zware arbeid. Er werd enigszins tegemoet gekomen aan haar broze gestel door voor te schrijven dat ze geholpen moest worden met in- en uitstappen én men zou haar voorkomend moeten behandelen. Een schrale troost… In de maanden april en mei worden alle gegijzelden verhoord door de Raad van Brabant in Den Haag. Pieter bleef op het standpunt dat een koets, bespannen met twee paarden, zijn huis was gepasseerd. In het voorbijgaan had hij de koetsier herkend als de koetsier van de ex-kolonel Suljard. En ja, het klopte dat toen de koets voorbij reed hij had aangenomen dat Suljard erin had gezeten en dat die op weg was geweest naar het kasteel van Van Panhuys. Maar hij had nooit gezegd dat hij die koets daadwerkelijk daarheen had zien rijden. Hij begon terug te krabbelen… Toen juni aanbrak werd iedereen weer op vrije voeten gesteld. Pieter had zorgen over zijn eigen boerenbedrijf gehad maar meende dat het allemaal niet zo erg was geweest in Den Haag. De heren daar waren heel duidelijk naar hem geweest, gaven een toelichting op alles wat gezegd en geschreven werd. Heel anders dan de moeilijke woorden die notaris Rooth en Van Slijpe gebruikten bij zijn eerste verklaring! Hij was zelf immers maar eenen onnoselen boer zoals hij zelf zei.

Officiële publicatie in de vorm van een aanplakbiljet waarin staat dat de Staten-Generaal een onderzoek uitvoert naar de handel en wandel van Van Panhuys en dat Pieter Habets en Nijst Trachts in ‘civiele gijseling’ hebben genomen.

Een onderzoekscommissie

Eind goed, al goed. Zo lijkt het, want in Den Haag waren ze er nog niet klaar mee. Een paar weken later, op 19 juni 1789, werd besloten om een onderzoekscommissie aan te stellen en deze naar Maastricht te sturen. Deze commissie moest grondig onderzoeken of het nu wel of niet waar was dat de ex-kolonel Suljard bij Van Panhuys bivakkeerde in de zomer van 1788. Hiervoor was het nodig om iedereen te verhoren die ook maar enigszins iets kon afweten van de zaak. In twee maanden tijd werden 28 getuigen aan de tand gevoeld. Sommige eenmaal, anderen vaker. Elk detail werd tot achter de komma uitgezocht. Zo werden ook getuigen gehoord die meer wisten te vertellen over start van de onderlinge strijd van de heren. In dit kader werd ook Mathijs Sleijpen gehoord, bewoner van de Withuishof aan de Bergerstraat. Hij verklaarde dat Van Panhuys tolgeld vroeg aan landgenoten. Vanuit zijn functie als rentmeester was hij hiervoor bevoegd maar er waren wel regels waar hij zich niet aan hield, waardoor hij zichzelf niet populair maakte.

Voor de tweede keer op water en brood

Nijst werd op 6 juli weer vastgezet om te voorkomen dat hij weer zou vluchten als hij nogmaals werd opgeroepen voor een verhoor. Hij werd tijdens zijn eenzame opsluiting drie keer verhoord. De verhoren leverden echter niet veel nieuwe informatie op. Pieter werd na zijn eerdere vrijlating maar liefst zes maal ondervraagd. Uit angst dat hij zou onderduiken werd ook hij opnieuw gevangen genomen en opgesloten in Maastricht. De tijd in de gevangenis en de vele verhoren zorgden ervoor dat Pieter uiteindelijk brak. Waar hij tot dat moment altijd volhield de koets van Suljard zeker gezien te hebben voor zijn huis, herriep hij deze uitspraken. Hij verklaarde nu dat hij nooit een koets gezien had. Mogelijk werd zijn ommezwaai veroorzaakt door de zorgen rondom zijn bedrijf. Al die tijd dat Pieter vast zat kon hij zijn boerderij niet runnen. Zijn vrouw had daarover een brief laten opstellen die gericht was aan de commissieleden. Hierin smeekte ze om een advocaat voor haar man, die hem vrij moest krijgen. Als dit nog lang zo doorging stonden ze op straat. En dat niet alleen, het hele dorp vermeed contact met hen. Niemand wilde immers betrokken worden in deze slangenkuil. Daar bovenop kwam nog eens dat de kinderen gepest werden. Enkel op het laatste werd gereageerd. De luitenant-voogd greep in door de lokale pastoor te vragen om de pesters de wacht aan te zeggen. Of het hielp valt te betwijfelen. Uiteindelijk kwamen Nijst en Pieter pas na enkele maanden, op 16 september 1789, op vrije voeten. Gebroken en vermoeid mochten ze de gevangenis verlaten en huiswaarts keren.

Franse Revolutie

Misschien heeft een belangrijke gebeurtenis een paar weken daarvoor op 14 juli er aan bijgedragen dat beide heren zo lang in de gevangenis zaten. Op die dag is namelijk de Bastille bestormd in Parijs, het begin van de Franse Revolutie. Frankrijk stond in rep en roer. Zelfs in Luik rommelde het al. Daar trokken revolutionairen in augustus naar de regeringsgebouwen. Ongetwijfeld was men in Maastricht bang dat dit soort praktijken oversloegen naar hier. De kleinste bedreiging voor de zittende regering moest met hand en tand bestreden worden. Over contacten met een staatsgevaarlijke man met uitgesproken revolutionaire ideeën werd zeker niet te licht gedacht. Suljard mocht onder geen geval het land binnenkomen!

Jean-Noël Chevron tekende begin 1800 de ruïnes van de Lambertuskathedraal in Luik die geplunderd en vernield was door aanhangers van de revolutie in 1794.

De kansen keren zich voor Van Slijpe en De Salve

Nu beide boeren hun eerste uitspraken hadden herroepen kwam de focus te liggen op Van Slijpe en De Salve. De getuigen waren niet meer geloofwaardig. Hoe geloofwaardig was de beschuldiging aan het adres van Van Panhuys dan nog? Wat was hun rol in deze klucht geweest? Beide heren hadden uiteraard meegekregen dat de boeren hun uitspraken herriepen. Ze voelden direct hoe hun geloofwaardigheid wankelde. Als ze niet zouden oppassen zouden ze in hun eigen kuil vallen. Pieter moest zich maar eens verantwoorden en werd wéér uitgenodigd. Hij werd stevig aan de tand gevoeld. Had hij soms geld gekregen om zijn uitspraak te herroepen? Maar dit had geen effect op Pieter, hij gaf geen bevredigend antwoord, waarmee Van Slijpe en De Salve zich gerust konden stellen. Om hun eigen hachje te redden zagen de heren zich genoodzaakt om afstand te nemen van de twee Klimmenaren. Ze richtten meer schade aan dan goeds. Een brief naar de Staten-Generaal volgde waarin Van Slijpe en De Salve uitlegden dat de eerste verklaring (dus de beschuldiging aan het adres van Van Panhuys) volledig vrijwillig was afgelegd. Ze hadden geen geld hiervoor gekregen en de twee heren hadden ook niet anderszins de boeren beïnvloed. Dat Pieter en Nijst nu hun verklaring introkken maakten hen plegers van meineed. En hiervoor was het nodig om ze te arresteren en te berechten zoals het hoorde. Kortom, de Klimmenaren moesten van het toneel verdwijnen, desnoods op het schavot. Van Slijpe en De Salve lieten hun eigen getuigen keihard vallen.

Aan de toog in Scharn

In de tussentijd ging de roddel dat Pieter maar liefst duizend gulden gekregen zou hebben om zijn beschuldigende verklaring in te trekken. Die leugen komt ongetwijfeld van De Salve of Van Slijpe af. De koetsier van De Salve had deze roddel gehoord en aan de toog verspreid in de herberg van Servaas en Trui Vaessen. Dit echtpaar werd hierover verhoord. Servaas Vaessen verklaarde meestersmid en herbergier te zijn en was getrouwd met Trui Stevens. De herberg en smidse was overigens gelegen aan de Scharnerweg, feitelijk op grondgebied van Heer, toch werd hij genoemd als de smid van Amby. Dit kwam doordat hij afkomstig was van een smidse en boerderij te Amby waar generaties lang zijn familie het smidsambacht uitvoerden. De onderzoekscommissie uit Den Haag was goed voorbereid en had een aantal vragen opgesteld voor de smid en zijn vrouw. Zo’n officieel verhoor was ontzettend spannend. Het gebeurde onder ede en de angst was groot dat één verkeerd antwoord leidde naar de gevangenis. Of erger: het schavot. Trui en Servaas zullen echter van weinig meerwaarde zijn geweest; ze konden of wilden niet veel meer delen dan wat kroegpraat. Opvallend is dat Servaas tijdens zijn verhoor af en toe verwees naar zijn vrouw; zij wist er wel meer over te zeggen. Zo werd zij min of meer door haar man voor het blok gezet. Zijn vrouw was een dienstmeid geweest bij De Salve en de koetsier was voor haar een oude bekende. Op vertrouwelijke toon had hij bij binnenkomst gezegd, “Truy! Hoort eens hier!” om vervolgens de laatste ontwikkelingen rondom de ‘soap’ uit de doeken te doen. Trui beschrijft uitvoerig wat hij met haar deelde, maar details die de koetsier in een lastige positie zou kunnen brengen ontwijkt ze behendig. Op belastende geruchten, die onder andere haar man naar haar doorschoof, antwoordde ze dat ze het gerucht niet kan verklaren en dat het goed zou kunnen dat haar man zoiets gehoord heeft. Maar dat dit ‘bij verloop van tijde (…) buiten geheugen geraakt is’. Kortom, ze had er geen actieve herinneringen meer aan. Haar man, die iets minder rap van tong was, zal ongetwijfeld het volste vertrouwen hebben gehad in zijn vrouw. Die kasteleinsvrouw liet zich niet in een moeilijke positie manoeuvreren!

Het antwoord op de vraag of Pieter inderdaad 1000 gulden had gekregen om zijn verklaring te herroepen werd niet gevonden. De smid en zijn vrouw werden bedankt voor hun bijdrage en in het verdere verloop van het proces verder met rust gelaten.

Al is de leugen nog zo snel…

Alle verhoren die in het kader van het onderzoek afgelegd werden leverden in veel gevallen niet veel op. De vraag of de Suljard nu wel of niet gezien was bij de heer Van Panhuys werd maar niet beantwoord. Totdat er enkele verhoren kwamen die meer licht brachten in de duisternis. Zoals die van Charles Roemers, een advocaat en schepen in Maastricht met verlichte ideeën. Hij was een gematigde patriot. Zijn ideeën en overtuigingen zouden enkele jaren later goed aansluiten bij de idealen van de Franse bezetter. Onder Napoleons bewind klom hij snel op en vergaarde veel geld en roem. Maar dat zou nog enige jaren duren. De kans is groot dat hij bevriend was, of op zijn minst sympathie had, met Van Panhuys die eveneens zijn patriottisch gedachtengoed deelde en hierdoor deed hij zijn uiterste best om Van Panhuys te helpen. Roemers verklaarde dat De Suljard in zomer van 1788 nooit in Klimmen was geweest bij Van Panhuys. Roemers zelf had immers van Van Panhuys vernomen dat hij in mei en juni in Brussel was, waar Roemers zelf was uitgenodigd om op visite te komen. Verder wist Roemers dat Van Panhuys pas rond augustus of september op zijn landgoed in Voerendaal was. Toen Roemers hoorde van de beschuldiging aan het adres van zijn vriend is hij naar het huis van de schoonzus van Suljard gegaan. Zij vond de beschuldiging ridicuul en absurd. Zij had brieven van haar schoonbroer vanuit Frankrijk in de periode dat hij zogenaamd gezien zou zijn bij Van Panhuys. Hieruit bleek dat hij tussen mei en september in Parijs was en zeker niet in juni in Voerendaal kon zijn geweest. Gesterkt door dit bewijs is hij naar de vrouw van Van Panhuys gegaan en trof haar thuis verdrietig aan. Hij kalmeerde haar en zei: ‘den laster en calumnie (lasterpraatjes) mag doen wat moogelijk is, de waarheid zal dog altijd zegenpraalen (zegenvieren)’. Ook schreef Roemers dat hij samen met burgemeester Munix van Maastricht tijdens een wandeling aanklopte bij de pachthoeve van Van Panhuys. De pachter wist zeker dat Suljard nooit bij zijn heer op bezoek was geweest. De getuige, Nijst, had dat namelijk aan de pachter verteld. Omdat Nijst in de buurt woonde werd hij erbij gehaald en zwaar overstuur vertelde hij aan Roemers en burgemeester Munix hoe hij in de problemen kwam door zijn valse verklaring. Hij smeekte de heren om hulp en was ten einde raad. Roemers heeft toen zijn bekentenis, inclusief hoe Van Slijpe en De Salve hem hadden omgekocht, op papier gezet en de arme man geadviseerd om hetzelfde voor een notaris te verklaren. Dit geschiedde ook en dit was de officiële herroeping zoals we die eerder lazen.[1]

Ook anderen legden soortgelijke verklaringen af. Het werd steeds duidelijker dat Suljard in de zomer van 1788 nooit in Voerendaal kon zijn geweest én dat Van Panhuys zelf toen in Brussel was.

Eindrapport van de commissie

In de rapportage die de commissie eind december 1789 overhandigde aan de Staten-Generaal wordt deze conclusie eveneens getrokken. Kortom, er was sprake van vooropgezette list en bedrog. De oorspronkelijke verklaringen van Nijst en Pieter waren dus vals. En de heren van Slijpe en De Salve hadden een hele dikke vinger in de pap. Maar het betekende ook dat niemand heulde met de staatsvijand en daarom was dit voor de Staten-Generaal een gedane zaak. De veiligheid van het land stond immers niet op het spel. Zij droegen de verdere afhandeling over aan de Raad van Brabant, het hoogste rechtscollege in Brabant en Staats-Overmaas. De Raad van Brabant nam de conclusie uit het onderzoek over. Daaruit volgde dat de op 3 maart 1789 door Pieter Habets en Nijst Tracht afgelegde verklaringen vals waren geweest. Door deze valse verklaringen op 4 maart op het nieuwe stadhuis van Maastricht onder ede te bevestigen, hadden beide personen meineed gepleegd. Dat ze nadien deze verklaringen hadden herroepen, deed daar niets aan af. Pieter Habets en Nijst Trachts hadden strafbare feiten begaan, waarvoor ze moesten worden vervolgd. Zij dienden derhalve opnieuw te worden gearresteerd en te worden opgesloten in voorarrest in afwachting van hun proces.

De arrestatiegolf

Op 11 februari 1790 volgde dus een nieuw arrestatiebevel tegen Pieter Habets, zijn vrouw en zoon Jan en tegen Nijst Trachts. Dit was de derde maal dat ze werden opgesloten! Omdat zij nu werden gearresteerd op verdenking van een strafbaar feit (meineed) en niet zoals eerder om te voorkomen dat ze zouden vluchten, werd er ook beslag gelegd op hun eigendommen. Dat was in die tijd volkomen normaal. Veroordeelden moesten de proceskosten betalen. Omdat zij dit vaker niet dan wel konden betalen werd er vooraf beslag gelegd op al hun bezit, roerende en onroerend. Dit werd dan per opbod verkocht. Niet zelden stond de familie simpelweg op straat.

De doorgaans zelfverzekerde van Slijpe voelde nattigheid. Hier kwam hij niet zonder kleerscheuren vanaf. Als hij de eer aan zichzelf wilde houden, was er maar één oplossing. Hij bood zijn ontslag aan als vice-schout van Maastricht om zo stilletjes naar de achtergrond te verdwijnen. Dat verzoek werd ook ingewilligd, maar dit mocht niet baten. Ook hij werd thuis in zijn woning Huize Severen gearresteerd en gevangen genomen. Daar bleef het niet bij. Ook notaris Rooth werd gearresteerd. Hij was de notaris die met dure en moeilijke woorden de verklaring van Pieter en Nijst op papier had gezet, op zo’n manier dat de boeren niet begrepen waarvoor ze tekenden.

Het herengoed Waterrijk aan de [Eindstraat] in de jaren 1950

Arrestatie van De Salve

Buiten de heren Van Slijpe en notaris Rooth nam de Raad van Brabant op 27 maart 1790 het besluit om ook oud luitenant-kolonel De Salve de Bruneton in hechtenis te nemen. Ook hij werd verdacht aanstichter te zijn van de intrige. Omdat het hier om iemand uit het staatse leger betrof werd de ‘kapitein geweldiger’ Ploem [2] ingeschakeld. Hij was bevoegd om op treden tegen soldaten die zich niet wisten te gedragen. Hij had dus wel vaker te maken met arrestatiebevelen van soldaten die een voorraadkelder plunderden of hun handen niet thuis konden houden van de dochter van de schout. Maar dit was andere koek. De arrestatie van een luitenant-kolonel kwam niet vaak voor. Een luitenant-kolonel was een hooggeplaatste regimentsofficier. Deze man kwam niet zelden uit een adellijke familie of op zijn minst een regentenfamilie met enig aanzien. Hij besloot om de luitenant-generaal en tevens gouverneur van Maastricht te raadplegen, de prins van Hessen-Kassel. Ploem verzocht de vorstelijke doorluchtigheid om assistentie van een ondermajoor en zes onderofficieren. Zo’n groot machtsvertoon was gebruikelijk bij de arrestatie van een hooggeplaatste militair. Een simpele soldaat was natuurlijk te min om een luitenant-kolonel te arresteren. Zijn verzoek werd ingewilligd en hij kreeg de benodigde manschappen mee. Op 31 maart, tegen de vroege morgen om 4.30 uur, vertrok de stoet mannen naar Amby, met in hun midden de deurwaarder. In die tijd had een deurwaarder een breder takenpakket dan tegenwoordig. Hij ging in dit geval mee om het arrestatiebevel voor te lezen aan de arrestant en hem formeel in hechtenis te nemen. En zo kwam het dat op de vroege ochtend een troep mannen het erf van hoeve Waterrijk betrad. De dag kondigde zich aan en de lucht begon aan de horizon te verkleuren. Alles was nog kil en klam. Op Waterrijk was het nog stil en de meeste bewoners lagen nog in hun bed, behalve de dienstmeid en knecht; zij waren al uit de veren omdat hun werkdag op het punt stond te beginnen. De militairen stelden zich op rondom de voordeur. De sfeer moet gespannen zijn geweest. Zo’n arrestatie was niets alledaags. Hoe zou het verlopen? De deurwaarder nam de deurklopper in de hand en zal eens diep ingeademd hebben voordat hij de klopper liet neerkomen op de deur. De luide bons klonk als een donderslag in de nog stille ochtend.

Gang met trappenhuis in hoeve Waterrijk in 1959. Hier stonden de gewapende militairen voor de deur in de vroege ochtend van 31 maart 1790 om oud luitenant-kolonel De Salve de Bruneton en zijn vrouw te arresteren.

Op dit uur verwachtte men nog geen bezoek. Een buurgenoot zou immers via de dienstingang in stilte binnen komen, via de keukendeur. De dienstknecht moet dan ook vreemd hebben opgekeken toen hij de klopper op de voordeur hoorde. Toen hij behoedzaam de deur opende en vroeg wie er was, antwoordde de deurwaarder dat hij in naam van de wet kwam en toegang eiste tot de woning om een belangrijk bericht te delen. Eenmaal binnen trof het bezoek al snel meneer en mevrouw De Salve aan. Zij waren natuurlijk gewekt door het tumult of anders wel door hun dienstknecht en meid. De deurwaarder rolde een brief uit en schraapte zijn keel. Bij het licht van een kaars las hij voor dat de oud luitenant-kolonel De Salve de Bruneton in voorlopige hechtenis werd genomen. De Salve protesteerde, werd woest. De paniek stond in zijn ogen. Hoe durfde men hem, in zijn eigen huis notabene, zo te schofferen. Hij wilde ze er allemaal met zijn blote handen uitzetten. Maar hij zag dat het geen zin had. Hij was duidelijk in de minderheid, dit ging hij niet winnen. Bovendien: het was een officieel besluit, een bevel. Als militair moest hij gehoorzamen. Hij gaf toe, hij kon niet anders, en zei dat hij vrijwillig meeging. Nu trad de kapitein-geweldiger naar voren om de gearresteerde over te nemen van de deurwaarder. Hij deelde de oud luitenant-kolonel mee dat de order was om hem mee te nemen naar Den Haag. De Salve schrok, naar… Den Haag? In die tijd was dat een dagenlange reis. Hier was hij niet op bedacht. Hij wierp tegen dat hij niet zo’n lange afstand kón afleggen vanwege zijn sterk opspelende jicht. De kapitein-geweldiger liet zich niet uit het veld slaan en beloofde dat hij twee dokters uit Maastricht liet roepen om hem te onderzoeken. Indien deze zouden oordelen dat hij niet in staat was om getransporteerd te worden, dan zou hij in Maastricht in het gevang verblijven totdat er nieuwe orders met betrekking tot zijn transport zouden komen uit Den Haag. De Salve was zwaar onthutst. Ze haalden hem weg uit Amby, weg uit Maastricht, weg uit zijn omgeving, weg van huis en haard. En hij moest nota bene naar Den Haag. Natuurlijk wist hij al lang dat de twee boeren voor meineed waren aangeklaagd en zich moesten verantwoorden voor de Raad van Brabant in Den Haag. Viel voor hem nu ook het doek? En zijn compagnon, Van Slijpe, was die ook gearresteerd? In zijn verwarring werd hem verteld dat niet alleen hijzelf maar ook zijn vrouw als medeplichtige in voorlopige hechtenis werd genomen en ook mee moest naar Den Haag. Hij besefte nu temeer dat het menens was en hij moest zijn vrouw steunen, dat stond buiten kijf. Verzetten had geen zin. Hij stemde zodoende in om vrijwillig mee te reizen naar Den Haag.

De reis naar den Haag

De luitenant-kolonel kreeg tot in de namiddag de tijd om alles in te pakken wat mee moest. Hutkoffers werden gepakt. Er was reuring in het huis. Een buitenstaander zou nog kunnen denken dat het voorbereidingen waren voor een gezellig reisje. Maar niets was minder waar. De Salve zat in de penarie. De reis naar Den Haag was een hele onderneming. Die middag was de bestemming Bree (B.), als eerste tussenstop. Dit gebeurde per koets. In Bree stond de schout hen al op te wachten en zorgde voor een overnachtingsplek. Op de tweede dag ging de reis verder naar Den Bosch, waar ze zich melden bij de heer commandeur generaal majoor Douglas en tevens stadhouder. Daags erop vertrokken ze per schip en ging de reis vanuit Den Bosch naar Delft, waar ze de reis weer voortzetten per koets. Uiteindelijk kwam de koets aan in Den Haag waar de luitenant-kolonel en zijn vrouw in afwachting van hun proces werden opgesloten in de beruchte Gevangenenpoort waar ooit ook de gebroeders De Wit gevangen zaten.

De gevangenenpoort in Den Haag

De Gevangenenpoort

Alle verdachten werden in maart 1790 opgesloten in de Gevangenenpoort te Den Haag: de heren Van Slijpe, De Salve en ook de notaris Rooth. Gelet op hun gegoede afkomst werden ze niet op water en brood gezet in een kille kerker. Zij kregen een vrij voorname cel, meer een woon- en slaapkamer, met een haard en een bed en wat meubeltjes, maar uiteraard wel met tralies. Ook konden zij bezoek ontvangen en konden ze eten en turf kopen bij de cipier. In vergelijking met de cellen in de kelder was dit een hemels vertrek. Maar ondanks de gerieflijke ruimte was leven in een gevangenis geen pretje. Je was je vrijheid kwijt, wist niet welke straf je te wachten stond en je werd continu geconfronteerd met het geschreeuw vanuit de folterkamers. In zo’n benepen ruimte was je blij als je naar buiten kon kijken, maar ook dat was niet erg troostend. De gevangenen keken uit over het galgen- en executieveld. Zo wisten ze precies wat hen te wachten stond… Bovendien was je overgeleverd aan de ‘goedheid’ van de corrupte cipier. Voor iedere vorm van luxe vroeg de cipier een vergoeding naar eigen inzicht. Voor warm eten, ontvangen van bezoek, turf, het verblijf in een betere kamer, etc. kon hij je vragen wat hij wilde.

Voorname kamer in de gevangenenpoort. Bij benadering zag de kamer/cel van de familie De Salve er ook uit

Ook de twee onfortuinlijke boeren Pieter Habets en Nijst Trachts zaten in deze gevangenis. Voor hen was dit extra zwaar, want het betekende een derde maal eenzame opsluiting in een vochtige kerker, letterlijk op water en brood. Zonder enige vorm van luxe of comfort. Daarbij kon al die tijd niet gewerkt worden op hun eigen grond. Zeker voor Pieter met een vrouw, schoonmoeder en zoon eveneens in gevangenschap was dit een financiële strop. Er was niemand die zijn boerderij kon runnen in hun afwezigheid. Een helpende hand van buren en vrienden hoefde hij niet te verwachten, zij waren bang om meegezogen te worden in deze waanzin. Pieter had thuis nog een jonge dochter die er nu min of meer alleen voor stond. Zij kreeg al het werk niet verzet, al zou ze het willen en kunnen. Zij zag de schuld vooral bij haar broer Jan, de knecht van De Salve, want via hem had hun vader zich in de nesten gewerkt. Zij stapte naar een notaris om een verklaring af te leggen in de hoop dat dit zou helpen. Op een krijtende en misbaar makende wijze legde ze uit dat haar ouders zo’n last hadden gehad van haar broer Jan. Geregeld waren er ruzies in huis geweest. Maar dat nu het halve gezin is meegesleurd in zo’n ongelukkige zaak deed haar erg pijn. Ze ‘offerde’ haar broer in de hoop haar ouders te sparen… Pieter had ondertussen steeds meer moeite met de benarde positie waarin hij zat. In het begin van het proces was hij beheerst en kalm, maar nu schreeuwde hij, vooral ’s nachts, dusdanig hard dat zijn gedrag als wangedrag in de boeken werd genoteerd.


De vrouw van Pieter, die waarschijnlijk de cel met hem deelde, zag hem afglijden en greep nu zelf in. Ze diende een officieel verzoek, een rekest, in. Ze begreep dondersgoed dat haar man beschuldigd werd van meineed. Een zeer kwalijke zaak die zelden goed afliep. Dus wilde ze dit graag weerleggen. Ze hield bij hoog en laag vol dat haar man de koets van Suljard voor hun huis had gezien. Nijst Trachts was volgens haar een onbetrouwbaar sujet, hij had de koets wellicht niet gezien en hij had hiermee dus meineed gepleegd. Maar dat Nijst zo’n lage daad had begaan, betekende nog niet dat dit ook gold voor haar man. Ze legde nog eens uit hoe zeer het gezin in schrijnende armoede terecht kwam doordat de boerderij niet werd gerund. Ze smeekte en hoopte op enige compassie. Maar daar hoefde ze niet op te rekenen…

Het proces sleept zich voort

Het proces sleepte zich voort en iedere gearresteerde had zo zijn eigen beslommeringen. De eerder zo zelfverzekerde Pieter had het psychisch zwaar en ging gebukt onder enorme geldzorgen. De Salve leed aan jicht in een dusdanige mate dat hij eigenlijk niet zonder de zorg van zijn lijfknecht kon. Hij werd daarom samen met zijn vrouw, die ook gevangen zat, in één cel geplaatst. Notaris Rooth maakte zich zorgen om zijn moeder van 80 jaar die nu zonder geld zat. En Van Slijpe probeerde vanuit zijn cel te doen wat hij kon. Hij verzocht om toestemming om extra getuigen op te roepen die konden verklaren dat Suljard zeker wel bij Van Panhuys op bezoek was geweest. Maar wat hij ook uithaalde, het hielp niet meer. Hij werd niet geloofd. Het spel was uit. Dit leidde ertoe dat 8 mei 1791 een pikzwarte dag was voor Johan Hubert van Slijpe. In het verre Den Haag blies deze kasteelheer zijn laatste adem uit in een cel. De doodsoorzaak is onbekend, maar ongetwijfeld heeft het verblijf in het gevang hier aan meegewerkt…

Bespoediging van de zaak?

Het aantal verhoren bleef groeien en dat kostte tijd, veel tijd. Op 17 oktober 1791 nam de Raad van Brabant maatregelen om de afhandeling van de zaak te bespoedigen. Dat mocht ook wel, want verdachten zaten toen al bijna 1,5 jaar in voorarrest op afwachting van hun vonnis. De Raad achtte het wenselijk om tot een uitspraak te komen, zeker met de winter in aantocht. Dat was een barre tijd in de koude gevangenis. De hoorzittingen werden verlengd, zodat er op zittingsdagen langer de tijd was om de zaak te behandelen. Maar het ging nog steeds niet allemaal echt vlot.

Het vonnis

Het was dus de bedoeling om vóór de winter van 1790-1791 de zaak te kunnen afronden. Maar uiteindelijk kreeg Pieter Habets zijn vonnis pas te horen op 1 maart 1792. Hij werd publiekelijk afgeranseld met de roede en voorzien van een brandmerk. Vervolgens werd hij verbannen uit de Republiek en mocht hij er nooit meer terugkeren. Bovendien werd hij veroordeeld tot de kosten van het proces en moest 2092,70 gulden betalen. Hij was inmiddels uit zijn boerderij gezet en straatarm. Hij verzocht dan ook om kwijtschelding van de schuld omdat hij in zeer armoedige omstandigheden verkeerde en kreeg deze kwijtschelding waarschijnlijk ook. Maar zijn verdere lot was bestempeld. In zijn leven en van zijn familie was weinig ruimte meer voor zonneschijn.

Nijst Trachts onderging hetzelfde lot als Pieter Habets. Ook hij werd ten eeuwigen dage verbannen uit het Land van Brabant, Maastricht, de Landen van Overmaas en verder het hele district van de Generaliteit. Bovendien werd ook hij veroordeeld in de kosten van het proces voor een bedrag van 1891,12 gulden. Omdat hij echter slechts tien à twaalf stuivers per dag verdiende, zijn vrouw en twee kinderen gedurende zijn gevangenschap zelfs hadden moeten leven van de liefdadigheid, werd ook hij bij de Staten-Generaal aangemerkt als ‘onvermogend’ en hoefde hij de kosten niet te betalen.

Ook de nog in leven zijnde aanstichters van deze zaak kregen hun vonnis te horen. Zo mocht notaris Rooth nooit meer een publieke functie bekleden en werd hij ontheven uit zijn notarisambt, verbannen van het grondgebied van de Generaliteit en eveneens veroordeeld in de kosten. Jaren later maakte hij gebruik van de politieke omwenteling die de Fransen in gang hadden gezet. Hij kreeg op zijn verzoek toestemming om zich weer te vestigen in Maastricht, maar ook toen onder de nadrukkelijke voorwaarde dat hij zijn notarisambt niet mocht uitoefenen. Verder werd hem aangeraden zich te gedragen zoals een stille en rustige burger betaamt en niemand, die bij deze kwestie ook maar enigszins betrokken was geweest, onbehoorlijk te bejegenen.

Tot slot de luitenant-kolonel De Salve de Bruneton. Ook hij kwam er niet zonder kleerscheuren vanaf. De Salve werd ontheven van iedere militaire rang en functie, mocht het grondgebied van de Generaliteit niet meer betreden en werd eveneens veroordeeld in de kosten van het proces. Misschien vraag je je af hoe het verder ging met de ex-kolonel Suljard? Hij bleef in Frankrijk wonen tot 1794. Nadat de Fransen de macht overnamen in Nederland deed hij een verzoek voor eerherstel. Alles wat hij deed, deed hij uit liefde voor zijn Holland. Dit verzoek werd doorgestuurd aan het militair gezag. We weten helaas niet hoe hierop geantwoord is.

Hoe het verder ging met De Salve

Nadat het vonnis was uitgesproken werd De Salve met zijn vrouw in vrijheid gesteld. Hij moest het Generaliteitsland uit en week uit naar Amsterdam om daar de balans op te maken. Het hele proces had hem diep geraakt en handen vol geld gekost. Geld dat al snel op was, waardoor hij had moeten bijlenen van de bankier Jan Lizeaux. Lening op lening was hij bij hem aangegaan met de belofte dat hij, als het recht zou zegenvieren, hij dit makkelijk kon terugbetalen. Maar vanwege de allerdroevigste uitslag was hij bankroet en gedwongen om een groot deel van zijn bezit over te dragen aan deze bankier. Op 10 april 1792 verkocht hij voor de notaris in Amsterdam zijn geliefde Waterrijk. Het herenhuis met tuinen, vijvers, weiden, beemden, landerijen, akkergrond met alles erop en eraan, ook met alle bestialen, gereidens en meubilen (vee, goederen en meubels). Enkel de kleren van hemzelf, zijn vrouw en zijn kinderen vielen buiten de koop. De Salve werd daar bijna letterlijk in zijn hemd gezet. Verder had hij bijna niets meer. Ook het interieur van zijn huis aan het Vrijthof stond hij af, met uitzondering van de boeken en familieportretten die eigendom waren van zijn oudste zoon. Het kan zijn dat hij dit huis gehuurd had en het niet zijn eigendom was. Nader onderzoek moet dat uitwijzen . Ook het recht om ‘tienden’ (belasting) te heffen werd door hem verkocht. De kerk in Meerssen had dit tiendrecht aan hem verpand. Tot slot werd een gedeelte van een huis in de Platielstraat, waar zijn dochter en schoonzoon woonden, verkocht. [3] Een maand later, in mei 1792, wordt Waterrijk per opbod verkocht. Het komt dan in handen van de Maastrichtse advocaat Petrus Janssens, getrouwd met Maria Elisabeth Graven. Haar familie was ook eigenaar van de Gravenshof. Hun dochter zou blijven wonen op het goed en trouwen met Edmond van Wintershoven, een markante politicus die pleitte voor een Limburgse aansluiting met Duitsland.

Politieke onrust

Het vonnis werd in 1792 uitgesproken. In die tijd waren er vele onrusten binnen Europa. In Frankrijk was een jaar eerder een grondwet aangenomen met het beroemde “trias politica stelsel” (scheiding van de machten). In de loop van 1792 zou het koningshuis in Frankrijk vallen en koppen rollen. De revolutie breidde zich uit en al in 1793 stonden de Fransen voor de poorten van Maastricht. Het beleg werd in de kiem gesmoord maar in 1794 kwamen de Fransen terug en zouden 20 jaar lang blijven. Ook hier werd het hele systeem op de kop gezet. Vrijheid, gelijkheid en broederschap was nu het devies. De oude regentenfamilies hadden het nakijken, zeker zij die orangist waren. Als Van Slijpe nog geleefd had was dit zonder twijfel een moeilijke tijd voor hem geweest. Ook De Salve had het moeilijk. Hij woonde met zijn vrouw in Amsterdam en was in armoede vervallen. In 1802 overleed hij. Overigens zag zijn zoon na het vertrek van de Fransen kans om op te klimmen en zelfs in 1822 tot de adelstand verheven worden. Dat zal ongetwijfeld gezien zijn als rechtsherstel. In die tijd na Napoléon was alles wat revolutionair was uit den boze en probeerde koning Willem I veel van het oude te herstellen. De geschiedenis is een golfbeweging…

Pieter Habets leefde verder in armoede en overleed vrij snel al na zijn vrijlating in 1795. Nijst Trachts, eveneens in armoe levende, zou hem nog lang overleven. Hij overleed op hoge leeftijd in 1842. Willem Hendrik van Panhuys was de enige die er goed vanaf kwam. Hij heeft nooit in de gevangenis gezeten en gezien zijn revolutionaire gedachten waren de Fransen hem goed gezind. Hij werd aangesteld als rechter en gedijde goed in de Franse Republiek. Hij overleed in 1808.

Nawoord

Terugkijkend kunnen we concluderen dat een vals gerucht – fakenews – een volledig andere uitwerking kreeg dan bedoeld. Al weten we niet helemaal zeker of het verzonnen was. Van Panhuys was immers een patriot en mogelijk had hij inderdaad connecties met kolonel Suljard. Maar het stond vast dat de heren elkaar niet ontmoet hebben in de zomer van 1788 op het landgoed van Van Panhuys. De samenzwering was ronduit laf maar niet uniek. Er was al veel onenigheid tussen de twee ‘kampen’ aan voorafgegaan. In feite was Van Panhuys de eerste die een soortgelijk complot bedacht toen hij Van Slijpe enkele jaren eerder vals beschuldigde. Dit soort vijandschap en bondjes zijn geen uitzondering in bestuurskringen in de 18e eeuw. Maar eerlijk gezegd, werkt de politiek vandaag de dag anders?

Het meest schokkende aan dit verhaal is de manier waarop twee landmannen worden meegesleurd in dit verhaal zonder te weten in welke slangenkuil ze terechtkwamen. Puur uit eigen gewin van “hoge heren” worden zij omgekocht. Zodra zij eruit willen stappen trekken de ‘heren’ hun handen van hen af en keren zich zelfs tegen deze boeren. Ze overleven het ter nauwer nood maar belanden in diepe armoede.

Het verhaal geeft in ieder geval heel duidelijk weer hoe de eenvoudige werkman niet meer was dan een ‘speeltje’, een pion in het spel. Het is passend in de standenmaatschappij van weleer. Het volk moest onderdanig en gedienstig zijn en was afhankelijk van de hogere klassen. Die hogere klassen, in al hun wijsheid, wisten veel beter wat goed of slecht was. Voor hun zelf, én voor hun minderen. Dus daar luisterde je naar. Dit geloof in standen zat diep. Overigens ook bij de zogenaamde ‘lagere klasse’ zelf. Of zoals Pieter het zelf treffend in een van zijn verhoren zegt: Ik ben maar eenen oonnozelen boer…

Trivia

- Zie ook: Fakenews in 1790, een intrige van twee heren uit Amby (deel 1)

- In het derde deel nemen we je aan de hand van originele ‘archiefsprokkels’ mee naar Waterrijk in 1790. Je vindt hier antwoord op vragen als: Hoe zag het er binnen uit? Wat liep er aan personeel rond? En wat werd er verbouwd op de bijbehorende boerderij?