Het huis van de kantonnier

Uit Amiepedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het oude huisje gelegen aan de Cramer van Brienenstraat

Amby heeft net als elk dorp of elke oude wijk van een stad na de Tweede Wereldoorlog enorme veranderingen doorgemaakt. Vanwege de woningnood direct na de oorlog werd er in hoog tempo gebouwd. Nieuwe wijken verrezen aan de randen van de oude bebouwde grenzen en nieuwbouw werd gepleegd op plekken waar oudere panden het veld ervoor moesten ruimen. Direct achter de kerk, aan de huidige Cramer van Brienenstraat lag vroeger zo een pand dat de tand des tijds niet heeft doorstaan, het huis van de kantonnier. Dit schattige huisje is in 1988 gesloopt en samen met de bijbehorende moestuin vervangen door 11 tweekappers en rijtjeswoningen. Ondanks de bescheidenheid van dit markante huisje had het een interessante geschiedenis waar even markante bewoners verbleven hebben. Reden genoeg om dit huis in de kijker te zetten.

Het huis lag aan de achterzijde van de kerk zoals te zien is op deze luchtfoto uit 1956. Het lijkt een bos, maar de woning lag middenin een fruitboomgaard, grenzend aan het parkje van villa Kampveld.

Huize Kampveld

In de winter van 1887 – 1888 werd de grote villa, huize Kampveld genaamd, gebouwd door [Fernand Stevens], een neef van de familie Stevens die op huize Severen woonde. In de hoek van het ‘terrein van vermaak’ (zoals de tuin werd genoemd) werd een stal met koetshuis opgericht waar de koets gestald kon worden van de bewoners, de familie Stevens-Claikens. Enkele jaren daarna, in april 1893, werd de stal bij het koetshuis verbouwd tot woning. De toegang tot de woning liep via de ingang van de tuin, die door de mensen van Amby ‘het park’ werd genoemd, destijds gesitueerd aan de Severenstraat ongeveer ter hoogte van de huidige kapelanie. Het officiële adres was toen Severenweg 3. Toen in de eerste helft van de jaren vijftig de eerste grootschalige nieuwbouw ontwikkeld werd in het voormalige Severenveld de Van Slijpestraat, Westrand en ook de andere straten in de Sjroepbuurt ontstonden, werd de toegang tot de villa en daarmee ook tot het koetshuis verplaatst naar de Van Slijpestraat. Het huis kon evenwel te voet bereikt worden via een pad, toegankelijk via een tourniquet, oftewel draaihek, vanaf de Severenstraat langs de rand van het park. Aan de andere zijde van dit pad lag een weiland, dat grensde aan het oude kerkhof. Toen de woningbouw vorderde en de overzijde van het Severenplein ‘gevuld’ werd, ontstond de Cramer van Brienenstraat. Deze liep in eerste instantie dood tegen de heggen van het weiland waar nu ongeveer de pastoor Lanckohrstraat loopt.

Huize kampveld in 2017

Uiteindelijk werd de Cramer van Brienenstraat doorgetrokken en aangesloten op de Severenstraat. Het eerdergenoemde pad verviel en het huisje was nu makkelijk bereikbaar via deze weg. De bewoners konden hun huis onafhankelijk van de villaopgang bereiken. Het weiland naast het oude pad werd nu gedeeltelijk straat en deels gebruikt voor de uitbreiding van het oude kerkhof met daarnaast woningbouw. De oude kerkhofmuur is als scheiding tussen oud en nieuw kerkhofdeel nog steeds te zien.

Rosa de dienstmeid

Uitsnede van een kadastrale kaart, gemaakt bij de verbouwing van het koetshuis in april 1893 waarbij het koetshuis werd uitgebouwd met een woning. De zwarte kaders zijn kadastrale grenzen. Midden op een heel groot perceel zien we villa Kampveld, met in de rechterbovenhoek van dit perceel het koetshuis. Deze was eerst de helft van wat we hier zien. Hij is naar het oosten toe (op deze tekening naar rechts) uitgebouwd. Als je goed kijkt zie je over de lengte van het koetshuis een blauw lijntje lopen. Links hiervan is het deel uit 1888 en rechts de ‘nieuwe’ aanbouw met woonruimte uit 1893.

Toen de familie Stevens-Claikens in 1888 hun nieuwe ‘stulpje’ betrok, namen ze een dienstmeid in dienst: de 20-jarige Rosa Janssen uit Schinnen. Het was in die tijd gebruikelijk dat de ‘gegoede stand’ een dienstmeid of knecht in huis had wonen. Het leven van een dienstmeid bestond voornamelijk uit het doen van het huishouden en als oppas voor de kinderen. Het was hard werken, want een ‘meid’ was altijd in dienst. Het was vaak moeilijk om een dag vrij te krijgen. Veel boerenmeisjes waren ergens in dienst en met het oog op een toekomstig huwelijk leerden ze zo een huishouden bestieren, waarmee ze een kleine cent verdienden. De voornaamste reden was meestal dat in het ouderlijk gezin van de dienstmeid een mond minder gevoed hoefde te worden. Bij een huwelijk werd een dienstmeid ontslagen en opgevolgd door een nieuwe meid. Een getrouwde vrouw werkte in die tijd immers niet in loondienst! Nu even terug naar Rosa. In korte tijd leerde ze in Amby een sympathieke jongeman kennen: Mathieu Nijssen, kasteleinszoon van café Nijssen. In april 1893 trouwden zij met elkaar te Amby. Rosa was blijkbaar geliefd bij de familie Stevens want het kersverse echtpaar werd de gelegenheid geboden om het koetshuis te betrekken. Er werd een aanbouw gerealiseerd en ingericht tot woonhuis. Rosa was sinds haar trouwen weliswaar geen dienstmeid meer, maar haar Mathieu kreeg een baan aangeboden bij de familie Stevens. Hij was vanaf nu koetsier. De lege plek die Rosa in de villa achterliet werd door haar vrijgezelle zus Barbara ingevuld, die sinds november 1892 werd ingewerkt door Rosa. Dit alles wijst op een goede verstandhouding tussen ‘meneer en mevrouw’ van de villa en hun meid Rosa Janssen. Hoewel vandaag de dag een afhankelijkheidsrelatie tussen woning en werk (concreet: bij ontslag sta je ook met je huisraad op straat) niet als wenselijk wordt beschouwd, was dit vroeger heel normaal.

Mathieu Nijssen op een familiefoto uit 1905
Op deze foto uit eind jaren 1970 zien we duidelijk het oude koetshuis uit 1888 (met hoog dak) en de latere aanbouw uit 1893, waarin de woning was gevestigd voor de koetsier uit 1893. De persoon op de foto is de jongste zus van Josien Slangen.

Na de intrede van de auto werd het beroep van Mathieu chauffeur; de oude vertrouwde koets was nu immers uit de gratie. Zij bleven er wonen en kregen drie kinderen. In 1918, tijdens de Eerste Wereldoorlog, namen ze een vluchteling uit Luik in huis, de neef van Rosa, Léon Damoiseaux. Het gezin blijft er wonen tot 1920. In dat jaar verhuizen ze naar Maastricht. Waarom ze verhuizen is niet helemaal duidelijk. Wellicht omdat de familie Stevens eveneens in 1920 verhuisde? Mogelijk dat de nieuwe bewoners van de villa hun ‘eigen’ personeel wilde meenemen of misschien wel geen behoefte hadden aan een privéchauffeur...


Nieuwe bewoners

Nog voordat de familie Nijssen-Janssen uit hun woning vertrok, kwam er al een nieuwe familie bij hen in wonen. In februari 1919 kwam namelijk Camile Gijsel met zijn vrouw Léonie van den Broecke samen met hun twee kinderen bij de familie Nijssen-Janssen in wonen. Hij was ‘lijnwerker bij een elektrisch bedrijf’. Dat hield in dat hij de bovengrondse elektriciteitsdraden onderhield. Waarschijnlijk was hij volop bezig met het maken van huisaansluitingen, want elektriciteit was toen immers een nieuwigheid. Hij was afkomstig uit Koewacht in Zeeland, zijn vrouw kwam uit Wachtebeke in België. “Luij van boete” dus.

Het tijdelijk dubbel bewonen van een huis kwam in vroeger jaren wel vaker voor. Het is vandaag de dag misschien niet meer voor te stellen, maar een verhuizing was een hoop geregel. Makelaars waren er nog niet en als je naar een ander dorp of stad verhuisde, was het in de praktijk lastig om dit op elkaar af te stemmen. Heel lang heeft de familie Gijsel er niet gewoond. Tussen 1922 en 1932 woonde er de familie Mesters-Roemers met twee kinderen. Hij was arbeider bij de aardewerkfabriek de Sphinx en werd later mijnwerker. In 1932 kozen ze ervoor dichter bij de mijn te gaan wonen en trokken ze naar Spekholzerheide (Kerkrade). Dit gezin werd opgevolgd door de melkventer Claessen met zijn vrouw Korff. Ook zij hadden twee kinderen. Zij woonden er nog geen jaar toen ze in 1933 naar Maastricht verhuisden. Vanaf april 1934 woonde er het gezin Seijben-Maschal met hun zoon. Hij was kantonnier van beroep: hij onderhield de straten en het openbaar gebied binnen de gemeente Amby.

Wisselende eigenaren

De bewoners huurden van de eigenaren, in eerste instantie de familie Stevens. In 1920 verkochten zij de villa aan Jonkheer Pieter Joachim Roger Rendorp en zijn vrouw, Maria Hubertina Ernestina (roepnaam: Mia) Regout. Hij was griffier en kantonrechter te Maastricht. Zij was een telg uit de welbekende Maastrichtse ondernemersfamilie Regout. In 1921 werd een gedeelte van het perceel verkocht aan het kerkbestuur zodat de kerk kon uitbreiden. De vader van eigenaresse Rendorp-Regout kocht in 1932 het pand over van zijn schoonzoon. Hij, Jules I Regout, was getrouwd met Frederika Clementina Berger. Hij was bestuurslid van de katholieke werkgeversorganisatie in Limburg, gemeenteraadslid te Maastricht en oprichter-directeur van de dekenfabriek Jules Regout & Co. Jules was een kleinkind van de ‘pottekeuning’ Petrus Regout. Lang bleef het niet in eigendom van Jules Regout want een jaar later ging het pand weer over op hun eerder genoemde dochter Mia. Ook ditmaal bleef het niet lang in eigendom van Mia Rendorp-Regout. Een jaar later, we zitten inmiddels in 1934, wordt de villa inclusief koetswoning verkocht aan haar dochter jonkvrouw Frida Auguste Maria Louisa Rendorp, getrouwd met de latere burgemeester van Ootmarsum baron Henri Felix Marie Schimmelpenninck van den Oye. Zij blijven tot 1938 eigenaar van het goed. Zoals te lezen is werd er heel wat ‘geschoven’ met het eigendom binnen de familie Regout! Uiteindelijk wordt het pand in 1938 verkocht aan Joannes Lambertus van Aubel, getrouwd met Joanna Catharina Rullenraad. Zij zullen tot 1960 de eigenaar blijven. In dat jaar komt het in eigendom van Maria Joanna (Johanna) Maessen. In 1965 worden de heer Sjef Leufkens en mevrouw Greetje Leufkes-Petit eigenaar.

Luchtfoto uit 1977 van dhr. Wiel Claessen. Links op de foto zien we Villa Kampveld met, als je heel goed kijkt, het huisje ingebed in de uitbreidingswijk Severenveld (‘de Nuij Buurt’).Klik op de foto voor vergroting.

Jeu en Anna Seijben

Jeu Seijben in de jaren ‘30

Jeu Seijben, beter bekend als Jeu van de Sieb, stond bekend als een rustige en aardige man. In 1934 ging Jeu met zijn vrouw Anna Marschal in het huis wonen. In 1935 werd hier hun zoon Bèr geboren. De Cramer van Brienenstraat bestond nog niet; hun adres was dan ook ‘Severenweg’, in het kadaster ook wel ‘Nieuwenweg’ genoemd. De benaming ‘Nieuwenweg’ kwam waarschijnlijk doordat de Severenstraat tot begin 20e eeuw niet meer dan een voetpad was. Toen deze werd verbreed werd de weg al snel “de Nuije Weeg” genoemd. Door oud-Ambynezen werd deze ‘bijnaam’ nog lang gebruikt voor de Severenstraat.

Jeu, ook wel Jeuke genoemd, was kantonnier en tuinman op de villa. Waarschijnlijk waren al zijn voorgangers naast hun eigenlijke werk ook tuinman geweest. Een kantonnier was iemand die belast was met het dagelijks onderhoud van de wegen binnen de gemeente. Zodoende was Jeu een bekend figuur. Iedereen kende hem wel als hij ergens aan de straat aan het werk was. Vanwege zijn groot postuur viel hij ook direct op. Ooit kreeg de familie post, geadresseerd aan ‘Grote man, kleine vrouw, achter de kerk’. Deze beschrijving was voor de postbode voldoende om de post op het juiste adres af te geven.

Bovenstaande anekdote komt van dhr. Wiel Claessen. Hij heeft nog meer herinneringen aan Jeu. Als kantonnier moest Jeuke als het gesneeuwd had zand strooien op de wegen en dat deed hij staande in de laadbak van een vrachtauto, waarschijnlijk een auto van Meessen. Wij jongeren liepen er dan achteraan, steeds maar weer roepend "Jeu, dao kome de keuj, die treije diech op dien veuj". Hij werd daar niet boos om maar als je niet oplette had je een schep zand in je nek hangen.

Ook herinnerde hij zich dat Jeu bij hen thuis op bezoek kwam: Op zondagochtend was het gebruikelijk dat Jeuke een kop koffie kwam drinken. Als de kerkklok 12 uur sloeg stond Jeuke op met de woorden: "Nou moet ik gaan, anders heeft de kantonnier het gedaan". Waarschijnlijk was het de bedoeling dat omstreeks 12 uur de warme maaltijd genuttigd werd.

Ook mevr. Coumans-Crijns weet zich Jeu Seijben goed te herinneren. Zij maakte met andere kinderen een een liedje om Jeu te plagen:

"Jeuke de kantonneer

veel oonder zien bessemke neer.

't Bessemke ging breke

en Jeuke begós te keke"

De familie Seijben woonde in het huis zonder huur te hoeven betalen. In ruil daarvoor moest hij het park, dat inmiddels al de huidige omvang had, onderhouden. In 1965 kwam Jeu op ongelukkige wijze aan zijn einde. Hij overleed op 67-jarige leeftijd aan een bloedvergiftiging, opgelopen door een snee aan zijn vingers door de grasmaaier.

Familiefoto familie Seijben genomen bij de intreding van zuster Maria Theophila Seijben. Links van zuster Theophila zien we staand May Seijben met haar man Sef Claessen. Zittend Lies Seijben, getrouwd met Constant Smeets. In het midden zuster Maria Theophila, rechts van haar Jeu en Anna en Harie Seijben.

Een bijzonderheid aan het huis was de moestuin met een opslag voor de sjlaam (kolengruis). Daarmee werd de potkachel (of Cuisinière – in dialekt “kwizzenjèr”) gestookt, waarop ook werd gekookt. Die opslag was een bestraat stuk, in een hoek omgeven door twee lage stenen muurtjes. De sjlaam was vochtig en lag onafgedekt in de open lucht. Die vochtigheid zorgde voor veel rook uit de schoorsteen.

Na het overlijden van Jeu vertrekt de familie uit het huis, dat toen enige tijd heeft leeg gestaan.

Krantenartikel waarin een tuinman werd gevraagd om de tuin te onderhouden van Villa Kampveld. Een tuinmanswoning is aanwezig.

Familie van Tol

De nieuwe bewoners was de familie van Tol. De heer Simon van Tol, oorspronkelijk uit Alphen aan de Rijn, was de stiefvader van Christine Sour-Kers. Hij mocht het huis met zijn gezin, met zes kinderen, bewonen onder dezelfde voorwaarden als de familie Seijben. Ze hoefden geen huur te betalen, maar moesten wel de tuin onderhouden en het nodige snoeiwerk verrichten. De heer Van Tol, toen al 66 jaar oud, was gepensioneerd na een werkzaam bestaan als tuinman op het oorlogskerkhof in Margraten. Volgens dochter Christine kon hij niet echt stilzitten en onderhield hij naast al dat werk nog een grote groenten- of moestuin. Deze was gelegen op de plek waar nu de huizen staan op de hoek van de Cramer van Brienenstraat en de Severenstraat. Na enkele jaren het huisje bewoond te hebben is de familie van Tol in de Longinastraat neergestreken. Een zus van Christine is vanuit dit huisje getrouwd. Christine zelf woonde in de Longinastraat toen zij ging trouwen..

Familie Huijnen

In 1977 traden Huub Huijnen en Josien Slangen in het huwelijk. Huub was afkomstig van een boerderij onder aan de Rasberg en Josien kwam van D’n Heukel. Huub was hovenier van beroep en na hun trouwen betrokken zij als nieuwe huurders het huisje in het park. Ook zij woonden huurpenningenvrij en in ruil daarvoor onderhielden Huub en Josien het park en zetten zij de moestuin voort.

Inmiddels werd allengs duidelijker dat het huisje niet meer geheel van deze tijd was. Ook de vorige bewoners beaamden dat het er erg vochtig was en absoluut niet geïsoleerd. Toen Josien er de twee eerste van haar vier kinderen kreeg en moest opvoeden, werd dat probleem nijpender. Vooral toen bleek dat een van de kinderen astmatisch aangelegd was. Uiteraard hebben zij aan het huis, voordat ze er gingen wonen en de jaren dat ze er verbleven, de nodige aanpassingen gedaan. Onder andere het dak, waar de slaapkamers waren en waardoor de sterren waargenomen konden worden is stevig aangepakt door Huub, samen met flinke hulp van zijn scoutingvrienden. Maar in 1981 hebben ze het huis toch verlaten en een woning betrokken aan de Longinastraat.

Het eerste gedeelte van het dak wordt vernieuwd.

Vocht, tocht en kou waren al die jaren niet het enige probleem. De families van Tol en Huijnen ervoeren regelmatig overlast, veroorzaakt door de verhuurder. Onbedoeld, maar daarom niet minder vervelend. Het huisje was opgetrokken rondom het voormalige koetshuis, nu de garage van de familie op de villa. Als de familie wel eens ’s nachts thuiskwam en de auto in de garage stalde, dan werden niet altijd zachtzinnig de autoportieren en de garagepoorten gesloten. De bewoners van het huisje, die de slaapkamers boven die garage hadden,schrokken daardoor menigmaal wakker. Christine vertelde dat de familie op de villa een grote, altijd blaffende hond hield. Deze zat altijd in een ren pal aan het huisje, net aan de gevel waar zich de ramen en vensters bevonden. Die stonden regelmatig wel eens open vanwege de nodige verfrissing of om te luchten. Het voer van de hond, vaak niet helemaal opgegeten, stond daarin bakken en veroorzaakte vaak stankoverlast. Dat de familie op de villa er in die tijd ook nog een schreeuwende pauw op na hield weten de nodige bewoners van de aanpalende Van Slijpestraat zelfs nog te memoreren.

Nadat Huub en Josien in 1981 het huis verlaten hebben zijn nog enkele jaren studenten gehuisvest in het huis. Het was echter duidelijk dat de jaren van deze woning geteld waren en uiteindelijk viel het doek voor dit toch wel markante huisje, vanwege afbraak en nieuwbouw op deze plek,


2024: Een van de nieuwe huizen, precies op de plek van het oude huisje.