Kermis 1717

Uit Amiepedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Kermiszondag in 1717: Wat een gezellig volksfeest moest zijn liep uit op een drama. Kermiszondag 26 september 1717 zal nog lang herinnerd worden door de Ambynezen.

In het donker van de nacht werd Hans Heijnen doodgeslagen door Lenard Dusch. Lenard was knecht bij Hendrick Sleijpen in Bemelen en met vrienden op stap in Amby. Hans Heijnen was knecht bij de bierbrouwer Willem Rutten in Scharn. Daags erna startte de vice-drossaard een onderzoek naar wat er gebeurde. Echter, de medewerking vanuit het nabije Bemelen liet op zich wachten, omdat niet alle getuigen snel gevonden waren kreeg de drossaard pas op 1 november de getuigenverslagen. Lenard was toen natuurlijk al gevlucht.

Wat er gebeurde? Dat leest u hier in de samenvatting en uitgebreider in de samengevatte getuigenverklaringen.

Wat gebeurde er die kermiszondag?

Twee vrienden gingen op stap, Steven Starmans en Leendert Dunbier gingen naar de herberg van Jenne Sleijpen. Hier troffen ze de broers Hans en Thewis Heijnen. Later schoven Jan van Kan, Paulus Ploumen (alias de Geulker) en Simon Honé aan. Na zonsondergang kwam Hans op het idee om met z'n allen naar het café van Joannes Bisschops (De Bisschop) te gaan want daar kwam hij wel eens als zijn baas er bier leverde. Toen ze hier nog een pot bier gedronken hadden vertrokken ze huiswaarts. De broers Hans en Thewis en Jacob Cremers gingen voorop. Jan van Kan treuzelde nog wat maar wilde samen aflopen richting Scharn en probeerde de groep in te halen. Bij de kerk aangekomen werd Jan van Kan neergeslagen en kwam in een greppel terecht. Hevig bloedend klopte hij hierna aan bij de fam. Loers. De meid, Entjen Janssen, liet hem binnen en de zoon des huizes, Bartel Loers, bekeek de wond. In huis was ook de koster aanwezig. Jan zei dat hij niet wist wie dit gedaan had, maar dat hij wel zijn neusdoek was kwijtgeraakt. Hierop besloten ze buiten te gaan zoeken naar de neusdoek. Op dat moment kwamen ze buiten Steven Starmans en de Geulker tegen. Zij waren bij herberg De Bisschop nog wat blijven kletsen met een neef van de waard. Zij kregen te horen dat een kameraad 'slaag' had gekregen en zijn neusdoek kwijt was. Zij besloten mee te zoeken. In plaats daarvan vonden ze het levenloze lichaam van Hans Heijnen. Hij was nog maar net dood want zijn lichaam voelde nog warm. Vader Simon Loers werd wakker gemaakt en gevraagd wat te doen. Hierop werd de burgemeester gehaald maar nog voordat hij er was, was de veldbode er met de schutten. Blijkbaar wilde de veldbode zijn plicht goed vervullen want iedereen die aanwezig was, werd gearresteerd en moest een verklaring afleggen.

Intussen bleek dat de dader gevlucht was. De dader was Lenert Dusch uit Amby die woonde bij Hendrik Sleijpen in Gasthuis (bij Bemelen). Samen met een kameraad, Hendrick Spiers, eveneens knecht bij Hendrick Sleijpen, was hij op stap in Amby. Samen met twee anderen, waaronder mogelijk Houb Houben, hebben zij knuppels genomen en het leek erop dat zij willekeurig een slachtoffer gekozen hebben. Hans kreeg een rake slag van Lenert en was op slag dood. Lenert Dusch had niet veel goeds in de zin, maar schrok enorm van de dood van zijn slachtoffer, dat was niet de bedoeling geweest. Hij vluchtte met Hendrick Spiers, weg uit Amby. Eerst gingen ze naar Bemelen, waar ze aanklopte bij de gerechtsbode aldaar, Gilis Caelen. Hier deden ze hun verhaal. Vervolgens zijn ze gevlucht naar hun werkplek, de boerderij van Hendrick Sleijpen. Midden in de nacht stonden ze huilend aan het bed van hun baas. Ze hebben hem alles opgebiecht. Hierna is Lenert spoorloos verdwenen... We weten niet hoe het verhaal voor hem afloopt.

Getuigenverklaringen

Getuige 1: Hendrick Sleijpen dorpsmeester van de heerlijkheid Bemelen

Hendrick getuigde dat hij twee knechten uit Amby in dienst had, Lenard Dech (Dusch) en Hendrick Spiers. Omdat de jongens graag kermis willen vieren in hun eigen dorp, krijgen ze een paar dagen verlof van Hendrick Sleijpen. Echter, de twee vrienden zijn pas nog geen dag weg als Sleijpen 's nachts wakker schrikt in bed. Rond 12 uur 's nachts staan beiden aan het bed van de dorpsmeester (een soort van burgemeester). Verwonderd vraagt hij wat ze bij hem in huis doen, ze hadden toch verlof om naar de kermis te gaan? "Al krijtende" bekenden ze dat het voor hen een kermis was geworden "dat God wilde embarmen (waarmee God compassie zou hebben)". En al huilend bekende Lenard Dusch dat er een ongeluk was gebeurd waarbij "eenen soveel als doot (was) gebleven".

Getuige 2: Gilis Caelen, gerechtsbode van de heerlijkheid Bemelen

De gerechtsbode verklaarde dat de twee vrienden Lenard en Hendrick op de bewuste avond om elf uur bij hem voor de deur stonden. Lenard kwam zijn das (in de betekenis van stropdas) ophalen die hij er eerder had laten liggen. Daarbij vroeg hij een glas brandewijn om de verwondingen aan zijn arm schoon te maken die "swaerlijck gequets (zwaar verwond)" was. Samen met de twee vrienden was nog een "ander kleyn kereltie" binnengekomen, waarvan Gilis niet wist hoe hij heette, maar zeker van Amby was. Gillis vroeg de jongelui waarom ze nog zo laat langskwamen. De drie deden hun verhaal aan Gilis, zijn vrouw en dochter Lijsbeth, en vertelden dat er iemand was overleden op de kermis in Amby. Op de vraag wie dat had gedaan, bekende Lenard "Och, ick hebbe het gedaen, ick hebbe hem maar eenen slach gegeven."' Alledrie vertelden ze dat ze niet verwacht hadden dat het slachtoffer dood was en ze hadden hem tot twee keer toe opgetild, maar hadden geen leven in hem kunnen ontdekken.

Getuige 3: Catrijn de Hoen, vrouw van de gerechtsbode van de heerlijkheid Bemelen

Zij legde in hoofdlijnen dezelfde verklaring af als haar man. Lenard, Hendrick kwamen een "crauwat (dialect: kravat, stropdas)" halen om 11 uur. Zij lag al in bed en de jonge mannen vroegen of ze binnen mochten komen want ze hadden iets te vertellen. Waarop Catrijn hen de deur opende.

Getuige 4: Liesbet Gimmenick-Caelen, dochter van de gerechtsbode van de heerlijkheid Bemelen

Haar getuigenis komt overeen met de getuigenis van haar ouders.

Getuige 5: Entjen Janssen, dienstmeid van Simon Loers

Zij verklaarde dat op de bewuste avond rond 8 à 9 uur, Jan van Kan diverse keren op de deur klopte, waarop zij is gaan vragen wie dat was. Waarop Jan zei, "goede luijden, doet maar open". Toen Entjen de deur open deed zag ze dat Jan erg bebloed was aan het hoofd. Zij liet hem en zijn compagnonnen, twee knechten uit "Schaaren", binnen.

Getuigen 6: Bartel Loers, zoon van Simon Loers

Bartel (Bartholomeus) woonde in Heer maar verbleef waarschijnlijk vanwege de kermis in Amby bij zijn ouders. Hij verklaarde hetzelfde als Entjen, de dienstmeid. Nadat Jan van Kan op de deur had geklopt werd deze hevig bloedend binnen gelaten. Jan verklaarde een gat in zijn hoofd te hebben én zijn neusdoek (zakdoek) verloren te hebben. en Bartholomeus twijfelde of het zo erg was en bekeek zich de wond en constateerde dat het inderdaad een grote wond was. Twee kameraden van Jan waren binnen gekomen. Dit waren Steven Starmans (de knecht van Jan Dortan) en de Geulker (de knecht van Anna Coevliegh, op het Kerkxken in Scharn). Hierop is Bartholomeus samen met de gewonde Jan van Kan, de twee knechten, de meid en ene zeker Lambert Maghwal (de koster) naar buiten gegaan om de neusdoek van Jan te gaan zoeken. In plaats daarvan troffen zij het levenloze lichaam aan van ene Johannes (Hans Heijnen).

Opmerking van de auteur: Het is natuurlijk vreemd dat een heel gezelschap in het donker naar buiten gaat om te zoeken naar een zakdoek. Mogelijk werd de waarheid hier verdraaid. Het kan zo zijn dat Bartholomeus en de anderen naar buiten gingen om de daders te zoeken die Jan van Kan zo hadden toegetakeld. Als ze dit zouden bekennen waren ze wellicht bang om medeplichtig te zijn aan het drama. Let wel op, dit is een aanname, we zullen het nooit zeker weten.

Na de vondst van het lichaam van Hans wist het gezelschap niet wat ze moesten doen. Ze besloten de vader van Bartholomeus om hulp te vragen die adviseerde om de dorpsmeester te roepen. In de tussentijd kwam Hoebrich Gillissen, hij was veldbode. Deze Hoebrich zal de situatie niet begrepen hebben en voor de zekerheid arresteerde hij Jan van Kan, Steven Starmans, de Geulker, de dienstmeid, Bartholomeus en de anderen die nog in huis waren. Vervolgens kwamen de gewaarschuwde burgemeesters (meervoud!) met de schutten om de gearresteerden te bewaken.

Getuige 6: Johannes Bisschops, herbergier binnen Ambij

Johannes verklaart dat op kermiszondag, wanneer het al donker geworden was, aan zijn huis kwamen: Steven (Starmans, knecht van Dortan), den Geulker (knecht van Anna Coevliegh), Jan van Kan (ook knecht van Anna Coevliegh) de persoon die doodgeslagen is, Jan (Hans Heijnen, knecht van Willem Rutten) en nog twee anderen die hij niet kende. Het gezelschap is een half uur gebleven waarin ze bier hebben gedronken en ze zijn zonder ruzie naar huis gegaan. Wat wel opviel was dat de persoon die is doodgeslagen seer ijverde om naar huis te gaan omdat hij zijn paarden moest verzorgen.

Getuige 7: Steven Starmans, peertskneght bij Johannes Dortan te Schaaren

Steven is geboortig van Brunssum en werkzaam bij Dortan in Scharn. Hij verklaart met Lenert Dunbier op kermiszondag om 2 uur 's middags op stap te zijn gaan. Ze gingen eerst naar het huis van Jenne Sleijpen, waar hij een pot bier heeft getapt. Bij hen schoven aan Hensken (Hans Heijnen) en zijn broer Thewis en even hierna Jan van Kan en Paulus den Geulker. Ze hebben samen gedronken tot de zon onderging. Op een gegeven moment vertrok Hans naar de herberg van Joannes Bisschops. Zijn baas, Willem Rutten, leverde hier het bier, en waarschijnlijk kwam Hans er daarom geregeld. Blijkbaar had Hans al diep in het glaasje gekeken. De rest van het gezelschap volgde hem en riepen hem toe dat hij beter naar huis kon gaan. Aangezien hun waarschuwing niet het gewenste resultaat had, heeft het hele gezelschap nog een kan bier genuttigd bij voornoemde Johannes Bisschops. Na die kan bier was het toch echt goed geweest en gingen ze naar huis toe. Voor de herberg kwamen Steven en de Geulker nog een neef van Johannes Bisschops tegen waarmee ze nog even bleven kletsen. De rest, Lenard Dunbier, Hans en zijn broer Thewis Heijnen gingen na afscheid genomen te hebben alvast vooruit richting Scharn waar ze allen woonden. Na een poosje gekletst te hebben vertrokken Steven en de Geulker ook richting Scharn. "Tusschen den erven van mevr. De Pain et Vin en de heuft (Het stuk Ambyerstraat ongeveer tussen Visser chocolade (voorheen Mosa's winkelke) en de Etos)" kwamen opeens vier onbekende kerels met kluppele snel voorbij die hen wel herkende en tegen elkaar zeiden dat is Steven en de Geulker! De twee kameraden Steven en de Geulker vervolgde hun weg snel, en toen ze niet veel later de kerk passeerden kwamen ze weer een viertal tegen met knuppels. Het was voor Steven in het donker niet te zien of het hetzelfde viertal was die ze eerder tegenkwamen. Tegenover de kerk, bij de deur van Simon Loers, kwamen ze de zoon van Simon, Bartel Loers die samen met de koster opzoek was naar de verloren neusdoek van Jan van Kan. Hierop is Steven mee gaan zoeken naar de zakdoek. Ze zochten zelfs tot aan de kerkdeur en de weg langs de kerk gaande (Severenstraat). Hier vonden ze Hensken (Hans Heijnen). Steven weet niet meer goed wie het was, maar of Bartel Loers of Lambert Maghwal (de koster) voelde of Hans dood was of niet. Hierna zijn ze het huis van Simon Loers ingegaan waarna al snel de veldbode kwam, Hubert Gilissen die hen arresteerden. Deze Steven werd niet alleen gearresteerd maar is ook nog langer vastgehouden. Mogelijk werd hij verdacht omdat hij bij de fam. Loers binnenkwam even nadat Jan van Kan daar bloedend binnen kwam.

Getuige 8: Paulus Ploemen, "den Geulker, bouwkneght bij anna Quattvliegh bij 't Kerkske tot Schaaren"

Paulus Ploemen was beter bekend als den Geulker en geboortig van 'Vrij Aldenhoven'. Dit lag in het Gulickse land en verklaart ook direct de bijnaam. Hij verklaart dat hij tussen drie en vier uur 's middags vanuit Scharn naar Amby is gegaan, samen met Jan van Kan, naar de herberg van Jenne Sleijpen. Daar hebben ze om een pot bier gevraagd maar het was er zo druk dat de zoon van Jenne Sleijpen zei dat hij geen kannen noch pinten had en dat ze maar de pullen moesten delen met Leentje Dunbier, Hensken en zijn broer Thewis en Steven Starmans. Zodoende hebben Paulus en Jan van Kan aangeschoven bij de vier jongelui en hebben ze samen gedronken tot de zon onderging. Toen ieder zijn rekening betaald had ging Henske voorop, naar de herberg van Jan Bisschops. Zoals eerder geschreven volgde de rest, om hem te zeggen ga toch mee naar huis. Maar Henske stond erop eerst een pot bier te nuttigen.

Rond een uur of 8 zijn ze naar buiten gegaan en hier hebben de Geulker en Steven Starmans nog staan praten met de neef van Jan Bisschops. De rest, Hensken en Thewis, Jan van Kan en ene zekere Jacob (knecht van de weduwe Wijn. Kicken) zijn vooruit gegaan. Waarop Jan van Kan, de achterblijvers aanmaande om toch mee te gaan. Hierop vertrokken ook de Geulker en Steven richting Scharn.

Ook de Geulker vertelt hoe ze tussen de velden van de heer van Severen, De Pain et Vin, en 'Achter de heuve' een viertal mannen met knuppels tegenkwamen en eenmaal bij de kerk aangekomen weer een viertal hadden gezien. Dat ze daar bij het huis van Simon Loers, Bartel Loers, Jan van Kan en de meid met licht zagen zoeken naar een neusdoek. Ook de Geulker sluit zich aan bij de neusdoekspeurders en samen zochten ze de straat af en vonden zoals bekend het levenloze lichaam van Hans Heijnen dat overigens wel nog warm was. Tenslotte zijn ze het huis van Simon Loers ingegaan waar ze werden gearresteerd door de veldbode, Hubert Gilissen. Ook hij werd beschouwd als verdachte en in het gevang gezet.

Getuige 9: Jacob Cremers, knecht bij de weduwe Wijnand Kicken te Scharn

Jacob is geboortig van Schinnen en werkt als knecht in Scharn. Op de bewuste kermiszondag kwam hij van Sittard af, toen hij bij 'de Bisschop' nog eentje ging drinken. Hier kwam hij verschillende manspersoonen tegen. Waaronder Hans Heijnen, Steven (Starmans) en twee knechten van het kercksken uit Scharn (De Geulker en Jan van Kan). Rond 8 uur 's aovnds heeft hij de herberg verlaten samen met Thewis Heijnen. Bij het huis van Simon Loers aangekomen kwamen ze drie of vier kerels tegen met kluppels of stocken. Een van de kwaadwillenden sloeg met een dikke stok naar Jacob Cremers en zei naar hem: " Maeck digh voort" waarop Jacob zei: "wat hebbe ick digh gedaen kerel de straet is soo wel voor migh als voor digh" Jacob meende op dat moment zijn belager te herkennen, Lenard Dusch de knecht van Hendrick Sleijpen van het Gasthuis. Jacob wachtte het antwoord niet af en vluchtte snel weg. Dit was wellicht een verstandige keuze geweest. Zijn belager schrok er niet voor terug om zijn stok daadwerkelijk te gebruiken. Hij had namelijk gezien dat er tegenover het huis van Simon Loers iemand als doot ter aerde nederlagh. Een tweede belager werd ook door Jacob herkend, hij meende Houb Houben knecht van Simon Loers te herkennen.

Getuige 10: Jan van Kan, knecht bij Anna Coevliegh op boerderij 't Kerksken te Scharn

Jan was geboren te Raar en werkte bij Anna Coevliegh op boerderij (voormalig klooster) 't Kerksken te Scharn. Op kermiszondag ging hij om drie uur 's middags samen met zijn compagnon Paulus Ploemen (den Geulker) naar de herberg van Jenne Sleijpen. Hier troffen ze Steven Starmans, Johannes (Hans) en Thewis Heijnen, Simon Honaij (Honé), Jacob Cremers en Lenert Dunbier. Samen hebben ze er kermis gevierd en tot zonsondergang gedronken. Toen heeft Hans Heijnen van ieder 't geld genomen en 't gelagh betaald. Vervolgens is Hans vooruitgegaan naar het huis van Joannes Bisschops, waar de baas van Hans bier levert. Zoals bekend is de rest van het gezelschap gevolgd. Hans Heijnen, zijn broer Thewis en Jacob Cremers zijn toen huiswaarts gegaan richting Scharn. Hierna heeft Jan van Kan niet lang gewacht en is hen gevolgd. Bij " 't Lintje" kreeg hij opeens met een stuk hout een slag op zijn hoofd waardoor hij verduijselt zijnde in de graaf (greppel) is gevallen, niet wetende wie hem geslagen had. Verdwaasd lag hij daar in het gras langs de weg. Alsof dat nog niet genoeg was kreeg Jan nog een slag op zijn linkerheup en eentje boven zijn elleboog. Kermend bleef hij liggen. Jan keek op en zag hoe Lenert Dusch hem zonder iets te zeggen zijn hoed toewierp die Jan tijdens de val verloren was. Niet wetende wat te doen en zijn op zoek naar zijn krachten blijft Jan nog zeker een kwartier in de greppel liggen. Dan hervindt hij zijn krachten en klopt bij het eerste het beste huis aan, bij Simon Loers. Hier doet hij zijn verhaal en beklaagd zich hoe dat hij qualijk getracteert was door een onbekende en ook nog eens zijn neusdoek was verloren waarnaar even later dan ook gezocht werd. Jan was zelf in het huis gebleven van Simon Loers waar hij even later te horen kreeg dat buiten het levenloze lichaam was gevonden van Henske. Amper bekomen van de schrik was de veldbode gekomen die het gezelschap arresteerde.

Stadtsdoctor en chirurgijn der stadt Maestricht, 'visitatieverslag'

Op 27 september 1717 'visiteert' de stadsdokter Colette en de chirurgijn Frambach uit Maastricht het dode lichaam. Hij maakt een nauwkeurig verslag op van het dode lichaam. Zo beschrijft hij dat Hans Heijnen omtrent 30 jaren oud was. Hij had op zijn voorhoofd een wond van twee vingers breed en boven zijn rechteroog een lange wond, een klein beetje langer dan het lid van een vinger, tot op de schedel. Deze wond is aangebracht met een zwaar, plom pen kneusende instrument. De schedel was gebarsten vanaf de wijnbrauw (wenkbrauw) tot boven op het voorhoofd! De breuk was zo groot als een grote vinger en gaapte zo erg dat het bloed erdoor kwam. De slag had een hersenschudding veroorzaakt waardoor de bloedvaten in de hersenen zijn gesprongen en de lege holtes aldaar gevuld hebben.