Militair oefen- en schietterrein op de Amiërhei

Uit Amiepedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
In 1864 voor het eerst op kaart, de naam “De Dellen”. De grond die aan Amby toebehoorde was de ‘driehoek’ rechts naast de Heihof. Dit was toen nog heideland en werd begraasd door de schapen uit Amby.

Sedert het begin van de 20e eeuw, om precieser te zijn, vanaf 1912, bevond zich op een deel van het terrein dat tegenwoordig bekend staat als natuurgebied “de Dellen”, een aantal schietbanen. De oude en officiële benaming “de Dellen” is pas vanaf begin 2000 de gebruikelijke benaming voor dit gebied dat vroeger behoorde tot de gemeente Meerssen, de zogenaamde “Meerssener Heide” en de “Ambyer Heide”, of in het Amies dialek, “de Amiërhei”. De Ambyerheide lag ook op Meerssens grondgebied maar was in eigendom van de gemeente Amby. Met name op “de Amiërhei” lagen de militaire oefenterreinen en de schietbanen. De Dellen vormen nu als onderdeel van het Natura 2000 beheersgebied Geuldal een belangrijk natuurgebied. Het volledige defensieterrein, de vroegere “Amiërhei”, is sinds die tijd en nog steeds in eigendom en beheer bij het Ministerie van Defensie en maakt dus nu deel uit van de Speciale Beschermingszone cq. Natura 2000 beheersgebied Geuldal Het militair oefenterrein De Dellen is echter nog steeds in gebruik bij de Koninklijke Landmacht. Daarbij gaat het in hoofdzaak om het Opleidings- en Trainings Commando Koninklijke Landmacht (OTCKL), maar ook LO-Sportorganisatie en gevechtseenheden.

Militaire oefening op de Amiërhei" eind jaren '40. Het oefenterrein was toen nog nauwelijks begroeid met bomen en was nog veel meer 'heide'.
Militaire oefening op de Amiërhei" eind jaren '40. Exacte locatie onbekend, mogelijk bij Heihof of bij de Oliemolen
Militaire oefening op de Amiërhei" eind jaren '40. Op de achtergrond het waterpomphuisje op de hei.

Wanneer en waarom oefen- en schietterreinen op de Amiërhei?

Het naburige Maastricht was al van oudsher een garnizoenstad met vestingstatus. Een garnizoensstad is een stad van militair belang, waar een of meer legerafdelingen gevestigd is of zijn. Een garnizoensstad als Maastricht bevatte arsenalen, kazernes en vestingwerken of kampen en oefenterreinen. Als gevolg van gewijzigde strategische inzichten, nam het militaire belang van de vestingstad Maastricht af. Hierdoor werd het garnizoen vanaf 1840 stelselmatig afgebouwd. Dit leidde uiteindelijk tot de opheffing van de vestingstatus in 1867, en werd vanaf dat jaar begonnen met de ontmanteling van de vestingwerken. In die periode kwam het gebied De Kommen (Maastrichts: De Koompe) in militaire handen en diende als oefenterrein en zweminrichting. Door de dreiging van de Eerste Wereldoorlog nam de belangstelling voor de strategische positie van Zuid-Limburg weer toe. Dit leidde in 1901 tot het besluit om Limburg niet geheel onverdedigd te laten. In 1904 werd door het Ministerie van Oorlog besloten tot de bouw van een nieuwe kazerne te Maastricht. Daarbij werd gekozen voor de locatie op de hoger gelegen delen van De Kommen ten zuiden van de stad.

De Tapijnkazerne

Tot 1934 werd de kazerne aangeduid als Nieuwe Kazerne, Kazerne in de Kommen, Infanteriekazerne of Kazerne van het 13e Regiment. In dat jaar werd de kazerne vernoemd naar de Lotharingse legeringenieur Sebastiaan Tapijn, die de verdediging van Maastricht leidde tijdens het Beleg van Maastricht. Het vestingstelsel, dat zolang de verdedigingsstrategie had bepaald, was nu niet langer het belangrijkste element van de Nederlandse verdediging. De nadruk kwam na 1870 meer te liggen op een groot en sterk veldleger van dienstplichtigen, dat als afschrikking diende te werken en dat offensief eventuele vijandelijke aanvallen op het Nederlandse grondgebied zou moeten afslaan. Snelheid en doelmatigheid, geoefendheid en paraatheid waren hierbij de bepalende factoren geworden.

De eerste gebruiker van de kazerne was het 13e Regiment Infanterie, dat Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd ingezet om de Belgische grens in westelijk Noord-Brabant te bewaken. In de jaren 1920 werd er sterk bezuinigd op defensie, zodat alleen het opleidingscentrum in Maastricht achterbleef. Vanaf 1930 waren er weer drie compagnies gelegerd. In 1938, tijdens de Sudetencrisis, werd de bezetting van de kazerne versterkt, maar aan het einde van dat jaar werd het aantal militairen alweer teruggebracht. Na de oorlog was de kazerne in gebruik achtereenvolgens als opleidingscentrum voor troepen voor Indonesië (1945-50), kazerne Regiment Mortieren Menno van Coehoorn (1950-53) en kazerne Regiment Infanterie Menno van Coehoorn en Regiment Infanterie Chassé (1953-67). In 1956 waren er ongeveer 700 soldaten gelegerd. Van 1967 tot 2007 was de Tapijnkazerne in gebruik door verbindingseenheden van AFCENT, dat zijn hoofdkwartier heeft te Brunssum. In oktober 2010 verlieten de laatste NAVO-militairen de Tapijnkazerne.

Vanaf begin van de twintigste eeuw werd ook de dienstplicht professioneler georganiseerd en liep het aantal dienstplichtigen geleidelijk op. Hierdoor ontstond niet alleen de noodzaak voor het uitbreiden van het aantal kazernes, maar ook meer behoefte aan oefen- en schietterreinen. De voormalige oefenterreinen De Kommen, bebouwd met de nieuwe kazerne bleek niet langer geschikt als oefenterrein en in de stad Maastricht en in de directe omgeving werden eveneens geen echt geschikte lokaties gevonden. Het oog van het Ministerie van Oorlog viel daardoor op de Dellen. De oefen- en schietterreinen die in deze periode zijn ontstaan, werden vaak gekoppeld aan de kazernes in de nabijheiden dat gold ook voor het nieuwe oefen- en schietterrein de Dellen, gelegen op de Ambyerheide nabij Maastricht. Het betrof een terrein met een gecombineerde functie; als schiet- en oefenterrein en als tijdelijk kamp.

Topografische kaart uit 1906 van de Amiërhei"
Topografische kaart uit 1924 waarop de schietbanen al zichtbaar zijn

Op topografische kaarten is te zien dat er in 1906 nog geen schietinrichtingen zijn ingetekend, maar in 1924 wel. Uit archiefstukken weten we dat er in 1918 nog geen schietbanen waren. Er kan aangenomen worden dat de schietbanen dus in de vroege jaren ‘20 zijn aangelegd. Dat komt goed overeen met de informatie die de familie van de eerste beheerder van het gebied ter beschikking heeft gesteld.

De inrichting van het terrein

de zogenaamde Hillshadekaart die het bodemreliëf (zonder gebouwen en bomen) weergeeft. Duidelijk zichtbaar zijn nog de schietbanen maar ook kraters van bominslagen uit waarschijnlijk de tweede wereldoorlog.
Detailuitsnede van de Hillshadekaart dat een gedeelte van het militair oefenterrein weergeeft. Duidelijk zichtbaar zijn oude loopgraven. Overblijfselen uit de oorlog? Of zijn deze aangelegd bij de oefeningen van het leger?

Het schietterrein bestond uit verschillende onderdelen. Op een verhoogd plateau, nu nog zichtbaar, vlak en onbegroeid bevonden zich de onderhoudsgebouwen en de kleine kantine. Van daaruit liepen aangelegde en met bomen omzoomde paden naar de diverse schietbanen. Naar het Noord-Oosten kijkend vanuit de plek van de gebouwen lag rechts een langere baan, waar ook met mitrailleurs geschoten werd en iets links van de gebouwen een korte baan, voor de gewone geweren en karabijnen. Iets verderop links lag ook nog een kleine schietbaan. De schietrichting was afgewend van de rest van de Dellen en bestreek het gebied dat behoorde tot de mergelwinning. Zo voorkwam men ongelukken met eventueel verdwaalde projectielen. De mitrailleurbaan, zo vertelde een kleinzoon van de oud terreinbeheerder Vries, was het interessants voor de opgroeiende jeugd eind jaren 60. Vlak voor de zandhoop bevond zich een strook bunkers, geheel ondergronds. Van daaruit werden de schietschijven omhooggestoken en na het schieten ook weer omlaag gehaald, om de treffers te melden. In deze bunkers verzamelden zich de toenmalige pubers, om stiekem te roken of zelfs te experimenteren met stoffen die, zo ging het gerucht, een goede vervanging voor hasj zouden kunnen zijn. In tegenstelling tot nu was daar toen toch wat moeilijker aan te komen. Nieuwsgierig als ze waren, werd het gedroogde binnenste van bananenschillen geschraapt, gedroogd en gerookt, want dat zou hetzelfde hallucinerende effect als hasj hebben.. Nou misselijk werden ze wel en van hallucinatie was geen sprake.....

De bunkers en eventuele andere kunstwerken zijn nu verdwenen en doordat de natuur haar weg weer heeft teruggevonden, zijn de schietbanen daardoor ook nauwelijks nog terug te vinden. Tot laat in de jaren zestig was er ook een terreintje waar een duidelijk waarschuwingsbord meldde dat betreden ten stengste verboden was vanwege de mogelijkheid van onontplofte explosieven. Of hiermee bedoeld wordt dat er met handgranaten o.i.d. werd geoefend is niet achterhaald. Het kan zijn dat het hier nog handelde om onontplofte granaten uit de laatste oorlog die door de geallieerden zijn afgevuurd op de toenmalige Duitse stellingen, die vanaf de Heide de vijand onder vuur namen...

Aan het einde van de bodemsweg, bij de monumentale boerderij “de Heihof”, waar men de schietterreinen betrad, bevond zich eind jaren zestig nog een klein schietterreintje waar met pistool of revolver werd geoefend. De schutters stonden daarbij onder de overkapping van een houten soort kapschuur.

Als men bij het heuveltje staat van de voormalige gebouwtjes, ziet men verderop de open plek waar gewone oefeningen werden gehouden. Daar werd kamp gemaakt, werden latrines gegraven en schutterputjes aangelegd en aan verdere paraatheid gewerkt. Als er op het terrein schietoefeningen gepland waren, werden er op alle toegangen en paden naar de schietbanen rode waarschuwingsvlaggen gehangen en stonden er vaak militaire wacht- en waarschuwingsposten.

Er wordt allang niet meer geschoten op de Amierhei. Sinds de natura 2000 status mag er wel nog geoefend worden, maar er mogen geen putjes of latrines gegraven worden. Er mogen wel voertuigen komen, maar die worden alleen op de paden getolereerd. En als er al schoten klinken, dan is het het geluid van de oefenmunitie die gebruikt wordt.

Zie ook

Voor meer informatie over de aanleiding om in Amby een militair oefenterrein aan te leggen: Eerste Wereldoorlog