Misdienaar en de handdoek

Uit Amiepedia
Ga naar: navigatie, zoeken

De misdienaar en de handdoek vertelt het verhaal over hoe men in de jaren '60 de ziekenzalving toediende. Daarnaast de herinneringen van een Ambysche misdienaar en de handdoek die gebruikt werd bij een ziekenzalving.

De Ziekenzalving

Toedienen van het H. Oliesel cq Ziekenzalving

De ziekenzalving is het laatste sacrament dat in de Katholieke Kerk wordt toegediend. Het toedienen betekende in feite dat degene die het sacrament ontving stervende was, of dat dit niet lang meer zou duren. Hetgeen natuurlijk een enorme impact had op familie, vrienden, bekenden en omwonenden. Maar wat voor indruk liet zo’n ziekenzalving achter in de beleving van die 10-jarige misdienaar. Eerst maar eens de ziekenzalving, daarna de beleving van de misdienaar.

Rouwritueel volgens katholiek geloof

Katholieken ontvangen in hun laatste levensfase het sacrament van de zieken in het bijzijn van familie en bekenden dat hen moet helpen zich klaar te maken voor de ontmoeting met God. Het sacrament der zieken heeft een aantal vaste elementen: de biecht of bezinning, de zalving, waarbij de pastor met gewijde olie bij de stervende op voorhoofd en beide handen een kruisteken maakt, de zegen met handoplegging en de eucharistieviering, waarbij de heilige communie wordt uitgedeeld. Met het sacrament der zieken ontvangt de stervende de absolutie, de vergeving van zonden. De modernisering heeft ook doorgewerkt in het ritueel van het sacrament der zieken. Was dit ritueel vroeger een aangelegenheid tussen priester en stervende, tegenwoordig betrekt men steeds meer de directe familie, maar ook vrienden en bekenden erbij.

Tijden veranderen

Ook de tijden in en rond de kerk. De Ambysche kerkgemeenschap was tot voor enkele decennia nog overwegend rooms-katholiek. Veel inwoners van Amby gingen trouw dagelijks, maar zeker wekelijks naar de erediensten in de Sint-Walburgakerk. Één van de sacramenten was de Ziekenzalving. Gebruikelijker was de term: ‘toedienen van het H. Oliesel’. In de volksmond werd dan ook wel gezegd: “Dao weurd emes bedeend”.

Dat ‘bedene’ ging met een aantal rituelen gepaard. Uiteraard gold dat ook voor het toedienen van de andere sacramenten. Bij het toedienen van het H.Oliesel was behalve de priester ook een misdienaar aanwezig.

De beleving bij de misdienaar uit Amby

Onderweg naar de Ziekenzalving
Schilderij van Joh Jeuken 1975

Samen met een andere 10- of 11 jarige misdienaar had je de weekbeurt om de H. Mis van half 8 te dienen. Vooraf kon het destijds wel eens voorkomen dat kapelaan Grubbe vroeg wie van de twee om 8 uur mee kon gaan op ziekenzalving. Je wist dan als misdienaar dat dit ongeveer een half uurtje kon duren en dat de school om 9 uur begon. Dat betekende te laat op school, maar dat had je er wel voor over. Want….die ziekenzalving, dat was iets speciaals, iets mystieks, iets ongrijpbaars. De meester was daar uiteraard niet blij mee. Maar dat was hij ook nooit als je als misdienaar een bruiloft of begrafenis om half 11 moest of mocht dienen. Eén van beiden kon dus mee.

De kerk in Amby ligt grofweg midden in het dorp. In 1960 was er geen Hovenbuurt, geen Amby Zuid-Oost. Dat kon betekenen dat je te voet met de kapelaan naar de woning ging waar de zalving zou plaatsvinden, of, als dat verder weg was ging je achterin de auto van mevrouw Rullenraad.

Ging je te voet dan vond je dat zeer bijzonder. Je liep gekleed in misdienaars kledij over straat naast of voor de kapelaan. In de ene hand de bel, waarmee je gepast mocht klingelen, zodat passanten of bewoners in de buurt wisten dat het H. Oliesel voorbij kwam. Als jongetje had je nu toch wel een aparte positie. Mensen langs de kant van de straat knielden eerbiedig, maakten een kruisteken. Ook de klanten in de winkels van bijvoorbeeld slagerij Habets of bakkerij Lonis waar je langs liep knielden achter de etalageramen uit respect en eerbied.

En dan kwam je in het huis waar de zieke in bed lag. De voordeur stond altijd al open en linea recta werd je naar de kamer geloodst, waar de familie en andere dierbaren bij elkaar rond het bed stonden. Zoals boven beschreven stond er op een tafeltje een aantal attributen, waarvan je niet begreep waarom dat nodig was. Bedroefde gezichten maakten indruk op je. Er werd gehuild, zeer ernstig gekeken en altijd door de aanwezige mannen in grote zakdoeken de neus gesnoten. Je zat daar als manneke geknield langs het bed, helemaal vooraan en je durfde bijna niet omhoog te kijken.

Als misdienaar had je de taak om de attributen aan te reiken die de kapelaan nodig had, bijvoorbeeld de wijwaterkwast. De kapelaan deed zijn taak heel toegewijd. Weesgegroetjes en Onzevaders werden driemaal achter elkaar gebeden. De Litanie van de Stervenden werd opgezegd en tegen het einde van de rij heiligen keek je heel voorzichtig nieuwsgierig in het rond. Af en toe wilde je toch even een blik opvangen van de persoon die ‘bediend’ werd. Meestal een oudere man of vrouw. Gelegen in een mooi opgemaakt bed. Met een kanten rand aan het laken. En dan zag je het weer...

Die handdoek...

Het was meestal donker in de kamer waarin zich de zalving voltrok. Gordijnen, van die dikke, waren gesloten. En soms waren zelfs de luiken aan de buitenkant dicht. Een enkel lampje boven het bed brandde. Een kaars brandde op het kleine tafeltje. Maar om die lamp was heel vaak een handdoek gedrapeerd, zodanig dat het licht in de kamer heel diffuus was. Het was er donker, en de bromstemmen van de mannen tijdens het gebed zorgden voor een benauwde sfeer. De aanwezige vrouwen en meisjes baden hard mee. Het was zo onwerkelijk…. En dat allemaal door... die handdoek.

Een half uurtje later rende je alweer zo hard je kon naar huis. Gauw een boterham eten en dan naar de school terwijl je wist dat de meester je een bordbeurt met breuken ging geven zodra je binnen was.