Sluipverkeer in 1832

Uit Amiepedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Sluipverkeer in 1832: De wegen zagen er in Amby heel anders uit dan tegenwoordig. De wegen waren vaak modderig en slecht onderhouden. Als het flink geregend had kwam het voor dat sommige wegen onbegaanbaar waren en paard en wagen door de berm hun weg zocht. Dit leidde er meermaals toe dat boeren klaagden dat het gewas op hun land kapot was 'gevaren'. De inwoners hadden een onderhoudsplicht om de 'getskes' en kleinere straten grenzend aan hun huis zelf bij te houden. De grote straten werden onderhouden door een kantonnier. Deze werd door de gemeente aangesteld om de belangrijkste wegen (Ambyerstraat) te onderhouden. Denk hierbij aan het vullen van gaten met kiezel of puin, maar ook mensen aanspreken die met hun mesthoop de doorgang versperden.

Sluipverkeer?

Dat de straten en wegen niet alleen hadden te lijden van lokaal dorpsverkeer blijkt uit een 'buitengewone raadsvergadering' in 1832. De raad, onder leiding van burgemeester Hennus, kwam toen in spoed bijeen om de noodzakelijke reparaties aan de dorpstraat en Molenweg te bespreken. De reparaties waren niet meer bij te houden evenals de kosten hiervoor. Het liep werkelijk waar de spuigaten uit. Wat bleek het geval? Sluipverkeer. Maastricht was tussen 1830-1833 omsingeld door de Belgen en van de buitenwereld afgesloten (Blokkade van Maastricht). Dit gold ook voor de handel. Generaal Dibbets, die Maastricht beschermde, was zo furieus en gedreven dat hij de doorgang van Belgische boten op de Maas door de stad verbood. Alle handel moest dus met paard en wagen plaatsvinden en door het ommeland van Maastricht. De Ambyerstraat en Molenweg waren een logische verbindingsweg tussen Sittard en het Luikse land. Doordat de wegen hier zwaar onder te lijden hadden vond de raad het onzinnig dat de lokale gemeenschap voor de kosten zou opdraaien. We moeten ook niet vergeten dat behalve het verkeer ook de Belgische troepen in en rond Amby lagen in deze jaren. Dit waren, naar het schijnt, mannen uit alle lage van de bevolking, maar met name gelukszoekers, ruwe mannen en avonturiers. De lokale bevolking had hier zwaar onder te lijden, zeker omdat in deze jaren de Ambyse sjlaaimette niet meer in Maastricht terecht konden met hun groenten.

Tol

Er was maar één manier te bedenken om aan geld te komen om de wegen te onderhouden. Tol. Het gemeentebestuur besloot om toestemming te vragen om tol te mogen heffen op den grooten dorpweg en den zoogenaamden Molenweg over een afstand van ongeveer 1500 meter. Omdat de Molenwegen en de dorpsstraat samen kwamen aan de kant van Meerssen (ongeveer waar de huidige autoweg ligt) werd meteen voorgesteld om daar slechts één barrier (slagboom, hier komt overigens het Ambyse woord 'breer' vandaan) te plaatsen. Eveneens werd gevraagd of het goed was dat het geïnde geld ten goede kwam aan de gemeente en alleen gebruikt werd voor wegonderhoud. Of dit ook betekende dat de Ambyse bevolking tol moest gaan betalen is niet bekend. We weten ook niet of er daadwerkelijk toestemming is gegeven voor deze tolheffing, als het al zo was zal het van korte duur zijn geweest. Op de oude Kuyperkaart uit 1866, waarom tolhuizen staan ingetekend, is er in ieder geval geen sprake van een tolhuis in Amby.