Stroopstokerij Eindstraat

Uit Amiepedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Voorzijde van het pand van de familie Dassen, aan de Ambyerstraat Noord 194.

Ook Amby kende in vroeger tijd veel beroepen, die nu in de eenentwintigste eeuw waarschijnlijk volledig onbekend zijn. Wat dacht u van de stroopstoker. Jac Dassen (Jacques van Väös van Koeb), een telg uit de stroopstokersfamilie Dassen geeft ons, samen met zijn vrouw Els, een inkijkje in deStroopstokerij Dassen v.h. Canisius aan de Eindstraat Amby. Eeuwenlang kwamen veel beroepen, maar verdwenen er ook veel tezamen met culturele gewoonten en nieuwe uitvindingen. De mechanisatie en automatisering hebben dit proces versneld. Verdwenen banen geven ons een interessante kijk op het leven van toen.

Stroop

Niet alleen op de boterham werd stroop gebruikt. Het werd en wordt ook nog steeds veel in de Limburgse keuken gebruikt. Daarnaast werd aan stroop van oudsher een gezonde en zelfs helende werking verbonden. Zo gaf een te hulp geroepen dokter als advies aan de ouders van een ziek kind: “Geef hem maar stroop”. Waarschijnlijk had een dergelijk advies relatie met het hoge ijzergehalte van stroop. Dit ijzer was niet afkomstig van het fruit zelf, maar van de potten waarin het fruit werd gekookt. Toen de appelstroop vanaf de jaren vijftig niet meer in ijzeren potten werd gekookt, nam ook het ijzergehalte sterk af. Enkele stroopfabrikanten zijn daarna overigens overgestapt tot het alsnog toevoegen van ijzer aan de appelstroop.

Historie

Om stroop te maken was fruit nodig. En in Amby was er veel fruit te vinden. Direct rondom de huizen lagen de hoogstamboomgaarden zoals hier aan de Heukelstraat
In het Statistisch Jaarboek voor het Koningrijk der Nederlanden wordt in 1854 melding gemaakt van het aantal stroopstokerijen in Limburg, 50 stuks waarvan 2 in Amby. stroopstoken is dus een oud ambacht dat al lang bekend is in Amby.

Tussen 1802 en 1807 werd door Jean Joseph Tranchot, een Franse militair, het door de Fransen veroverde gebied tussen Maas en Rijn in kaart gebracht. Uit deze kaarten blijkt dat er om vrijwel alle Limburgse dorpen heen een flink aantal fruitboomgaarden annex weilanden te vinden waren. Rond 1870 was er te Limburg zo’n 6000 hectare aan fruitboomgaarden. Rond 1920 was dat zelfs toegenomen tot zo’n 8000 hectare. De reden van deze toename lag in de groei van de veeteelt in Limburg. Akkerlanden werden omgezet in weilanden door dalende winstgevendheid in de landbouwsector. In deze weilanden werden, net als in de traditionele “hoeswei”, fruitbomen geplaatst. Dit was mogelijk omdat het zogenaamde hoogstamfruitbomen waren. Het vee kon dus al grazend onder de bomen blijven lopen. Op deze manier werd het stuk dus zowel als weiland en als fruitboomgaard gebruikt. Toch was de opbrengst in de negentiende eeuw per hectare matig, ongeveer 2000 a 3000 kilo per hectare. Fruitbomen waren gewone bomen. Tegenwoordig noemen we dat hoogstambomen.

Rijp fruit werd niet geplukt, maar geschud. Men trok dan voorzichtig aan de takken, waardoor het rijpe fruit naar beneden viel. Na het schudden werd het fruit opgeraapt en in jutezakken gedaan. Deze zakken werden in een kar gelegd waarvan de bodem met stro bedekt was. De in Limburg welbekende sterappeltjes werden, voordat ze verwerkt of verkocht werden, nog “behandeld”. Deze appel die naar alle waarschijnlijkheid afkomstig is uit Limburg, moet rond 1830 zijn ontstaan. Het geplukte appeltje is erg zuur en werd meestal op stro gelegd, zodat hij in de zon kon bijkleuren. Na een week werden ze netjes gedraaid om ook de andere zijde op kleur te laten komen. Hierdoor kreeg de appel de welbekende felrode kleur en werd de smaak minder zuur. Een deel van het fruit was voor eigen consumptie. Dit deel werd in linnen zakken op zolder bewaard. Een ander deel werd verwerkt tot appelwijn of appelazijn. Maar het merendeel van het fruit ging echter naar de stroopstokerij. Stiekem werd er wel eens wat ooftfruit toegevoegd (dialect: äöf; “Wat bis diech ’n äöf”).

De Germanen

Het bereiden van stroop was iets dat al bekend was bij de Germanen. Bij hen was het aanvankelijk een methode om appels langdurig te kunnen bewaren. Niet-houdbare appels werden in brede, ondiepe potten gekookt tot het grootste deel van het vocht verdampt was. De overgebleven moes bevatte zoveel suikers dat het lang houdbaar was. Later werd er een mengsel van appels en peren gebruikt voor de stroopfabricage.

Stroopstokerij 2-min.jpg
Voormalige stroopstokerij gelegen aan de achterkant van Ambyerstraat Noord 194

Ambyerstraat Noord (Eindstraat) 194

Achter het voorlaatste pand aan de Ambyerstraat Noord 194, gelegen vlak voor de bocht naar het viaduct over de A79, werd in de vorige eeuw stroop gestookt. Het verhaal over het ontstaan van appelstroop is eigenlijk heel simpel. We nemen u mee naar het leven in Amby en in Limburg van halverwege 1800. Je zag er de nodige kleine dorpjes met boerderijen, soms een brouwerij, meerdere kleine cafés met een klein winkeltje in koloniale waren, een smid, een kleermaker en natuurlijk de school. In die tijd - er waren toen nog geen koelkasten - bewaarde men appels en peren op een bedje stro op de zolder. Zo hield het fruit zich tot in het voorjaar. Fruit dat beschadigd was en al begon te rotten werd gekookt, daarna geperst en het sap werd ingekookt. En voilà, de geboorte van de stroop. De “Stroopstooker” maakte authentieke Limburgse appelstroop. Dat ambacht werd ook uitgeoefend in de Eindstraat (In de Pin), het noordelijke deel van de Ambyerstraat Noord, op het huidige no. 194. Met andere woorden een authentiek product uit Amby.

Een pers zoals deze ook bij de familie Dassen in de stokerij stond.

Canisius: Oprichter

Vermoedelijk is de stroopstokerij aan de Eindstraat in Amby begin 1800 opgericht door Joannes-Petrus Canisius en deze werd voortgezet door zijn zoon Pieter-Servaas. Daarna hebben Hubertus (Hubèr) en Joannes (de Jong) het stoken een vervolg gegeven. Naast deze stroopstokerij bezat de familie Canisius een boerderij met vee, akkerland en fruitteelt. Voor de bouw van de boerderij (1884-1886) naast het kleine boerderijtje hebben zij een steenbakkerij opgericht aan de BrikkeKojl (bakstenen kuil), op de plaats waar nu de A79 onder het viaduct loopt. Deze was gelegen aan de Ambyerweg, die vanuit Rothem in rechte lijn naar Amby liep. In de jaren voor de aanleg van de A79 woonde er de familie Stals en ook het bekende café “De Zwever” was hier gelegen. Ook dat vroegere café is gebouwd met deze stenen. De familie Canisius heeft dit café geëxploiteerd tot begin 20e eeuw.

Dassen

Jacobus (Koeb) Dassen, in 1857 geboren in Stein, huwde met Maria Canisius uit Amby. Zij betrokken de boerderij. Zij kregen vier zonen en twee dochters: Johannes, Hubertus (1894) Catharina Hubertina (1895) Guillaume (1899) en Servatius (1902) en ten slotte Maria (1903). De zonen Giel en Servaas (Väös) hebben de stroopstokerij overgenomen in 1947, verbouwd en heringericht om verder te gaan op stroomketelgebruik. Het stroop stoken is gestopt in 1969 wegens gebrek aan geschikt fruit door het rooien van hoogstambomen.

Ambysche stroop

Jac en Els Dassen duiken in het verleden:

Naast het verwerken van eigen fruit werd ook fruit verwerkt van particulieren en van boeren uit de omtrek. Ik kan me herinneren dat fruit aangeleverd werd uit Amby, Borgharen, Bunde, Meerssen, Raar, Houthem, Berg en Terblijt en andere dorpen uit de omgeving. Men bracht porties van 300 tot 500 kg fruit, later ook met suikerbieten. De potten en bussen, voor opvang van de stroop, werden zelf meegebracht. Elke portie werd voor het overgrote deel apart verwerkt. Onze binnenplaats stond in die tijd vaak vol met honderden potten en bussen, gevuld met stroop. Een plakboel van jewelste. Elke 100 kg fruit en suikerbieten leverde gemiddeld 12 kg stroop. Na het stoken werd de prijs bepaald. In de jaren na de tweede wereldoorlog was de prijs 20 cent per kg. Later is deze opgelopen tot 30 cent. De euro kende men nog niet in die tijd. Een ketel van 500 kg fruit leverde 60 kg stroop op. De opbrengst: 60 x 0,30 = fl. 18,00.

Rinse appelstroop

Welke appels en peren werden specifiek gebruikt ? Diverse rassen werden verwerkt. Appelrassen, zoals Franse Zure, Ossekop, Eysdener Klumpke, Goudreinet en de toentertijd bekende Sterappel werden gebruikt. Wat peren betreft waren dat veelal Suikerperen, Legipont, Herfstperen, Beurré Hardy en Saint Remy. Bij een ketel peren werden altijd enkele kisten appels toegevoegd voor de pectine. Daardoor werd de stroop wat stijver. Perenstroop met een bietentoevoeging was wat vloeibaarder dan appelstroop. Deze was soms ietwat doorzichtig en stijver. Deze werd dan ook “rinse appelstroop” genoemd. Door het vele aanbod van fruit werd soms in twee-ploegendienst gewerkt. Er was een dagploeg: Giel Dassen en Bèr Dassen, en de nachtploeg: Harie Damoiseaux en Pierre Dreessen. Herman Zwakenberg verzorgde de technische ondersteuning.

In de jaren ’50 van vorige eeuw heeft men geprobeerd de stroop aan winkels te verkopen. Dit lukte enkele jaren, maar vanwege de hevige concurrentie van de grote stroopfabrieken, waaronder de in Limburg bekende Canisius Siroopfabriek uit Schinnen, was dit geen lang leven beschoren. Dit werd mede veroorzaakt door de handmatige bereiding in de kleine stokerijen. Het ambacht werd te duur.

Deze foto is niet bij de familie Dassen genomen maar geeft een goede indruk van het arbeidsintensieve stookproces.

Het proces

Limburgse stroop wordt gestookt in koperen ketels op een open hout- of gasvuur. Het stoken gebeurde door middel van het verbranden van hout, de sjanse, en van steenkool, later stoom. Tijdens dit proces moest de stoker het vuur continu controleren en zo nodig bewerken. Ingrediënten waren appels en peren van hoogstamfruitrassen, uiteraard onbespoten. De bodem van de ketel werd bedekt met een klein laagje water; zo brandde het fruit niet aan. De ketel werd gevuld met een aantal lagen peren en appels. Daarna werd het fruit afgedekt. Door de stoom in de ketel veranderde de structuur van de vruchten en barstten de schillen open in een tijdsbestek van vier tot zes uur. De door het kookproces ontstane fruitmoes werd in een houten pers gelegd met doeken ertussen. Het geperste sap werd fijn gefilterd en nogmaals gekookt in de koperen ketel. Het werd een aantal uren, variërend tussen de vier tot vijftien uur, ingekookt tot ongeveer vijftien procent van het oorspronkelijke gewicht. Wanneer de stroop de juiste dikte had, deed de stoker hem na een intensieve nakoeling in potten. De stroop kreeg door narijping in de pot een intensere smaak.