WO-II Ooggetuigenverslag 2: De Bezettingstijd

Uit Amiepedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

WO-II Ooggetuigenverslag 2: De Bezettingstijd

De Bezettingstijd is het ooggetuigenverslag van mevrouw Plantaz-Braeken. Er zijn meerdere delen van haar verslag. Lees ook de andere delen.

Het dagelijkse leven begon weer

Na het uitbreken van de oorlog was de school één week gesloten. Ondanks de oorlog gingen we toch elke dag naar de kerk, waar de H. Mis telkens om 7.30 uur begon. Daar hoorden we van de zuster dat de school weer zou beginnen en we er allemaal weer verwacht werden. We werden op school gewaarschuwd om ons “rustig” te houden en dat we maar naar de Duitsers moesten luisteren. Verder werd er als vanouds les gegeven. Ik zat toen in de 8ste klas en vervolgonderwijs zat er voor mij niet in. Op mijn 15de ging ik met mijn zus mee werken bij de vroegere stoomwasserij De Lelie aan de Duitse Poort te Maastricht, bij de huidige grote overweg. Dat betekende voor ons beiden elke dag te voet van Amby naar Maastricht, want bussen reden er niet. Na één jaar kreeg ik werk bij Nederveen in de Hoogbrugstraat. Daar heb ik gewerkt tot mijn trouwdatum in 1948.

In de eerste tijd merkten we er niet veel van dat er oorlog was of dat we bezet waren. Zeker als kind kregen we amper iets mee van de Duitsers of Duits gezinden op ons gemeentehuis. Burgemeester Hermens was nog steeds onze burgemeester, ook al stond hij onder toezicht van de Duitsers. Vader, die bij het spoor werkte, vertelde dat er vaak Duitse treinen aankwamen bij het station van Maastricht. In het straatbeeld van Maastricht, meer dan in Amby, waren Duitse soldaten en legermateriaal te zien. Dat trok veel bekijks van de Maastrichtenaren, maar ook wij keken onze ogen uit als we in de stad kwamen.


Zwaar Duits wapentuig rolt het station van Maastricht binnen - JDW- P. Leenders
Colonne Duitse vrachtwagens op de Meerssenerweg - JDW- P. Leenders
Duitse bezettingsmacht trekt over de Wilhelminasingel in Maastricht - JDW- P. Leenders


Wapentuig over de Wilhelminasingel in Maastricht - JDW- P. Leenders
In de Wyckerbrugstraat worden Duitse tanks met belangstelling bekeken door de bevolking - JDW- P. Leenders
Overal in Maastricht staan Duitse voertuigen - JDW- P. Leenders

Bruiloft tijdens de bezetting

Al vlot waren levensmiddelen en andere dagelijkse benodigdheden op de bon. Bonnen kon je alleen krijgen met een op het gemeentehuis af te halen “stamkaart”, een soort identiteitsbewijs, en later via een Persoonsbewijs (PB). Eind 1942 - begin 1943 werd de situatie onrustiger…


Wij waren thuis met 14 kinderen, waarvan in de oorlogstijd enkele oudere zussen de huwbare leeftijd bereikten. Het was in die tijd de gewoonte dat er thuis - meestal bij de bruid - feest werd gehouden. Een zaaltje huren, laat staan met orkest, was in die tijd niet de gewoonte en zat er vanwege de omstandigheden ook niet in. Het bruiloftsfeest werd enkele dagen vooraf al voorbereid, want koffietafel voor na de bruidsmis, diner voor ’s middags en een flinke “koude schotel” voor ’s avonds werden zelf gemaakt en in de kelder opgeslagen. Daar hielpen we allemaal aan mee. Gezinnen die minder groot waren riepen hiervoor vaker de hulp in van “de kook”: de gezusters Chris en Marie waren hiervoor in Amby zeer gewild. Bij de bruiloft van mijn oudste zus Fia en zwager Jef Claessen in 1941 waren voedsel en drank nog redelijk verkrijgbaar. Ook kon e.e.a. toen geoogst worden uit de eigen moestuin. Ondanks de bezetting kon er nog een gezellig feest worden gehouden. In 1942 trouwden mijn zus Tiny en haar man Pie. Toen was amper nog iets te krijgen en kon er slechts een “mager” feest worden gevierd. Wel was de hele familie bij elkaar, maar voor de mannen zat er niet veel meer in dan de nodige potjes kaarten. In 1943 kon de bruiloft van mijn zus Maria en haar man Cor Thiessens wat uitgebreider worden gevierd. De schoonouders van Maria bestierden een bakkerij en hadden diverse “zwarte vlaaien”: achter gehouden voor de Duitse controleurs. Cor moest enige tijd na de bruiloft echter onderduiken, nota bene in de tijd dat mijn zus is bevallen van een te vroeg geboren baby. Deze kwam in een couveuse van ziekenhuis Calvarie te liggen. Wilde je de baby bezoeken, dan moest dat te voet. Dat was onder meer een hachelijke onderneming omdat je de kapot geschoten Sint Servaasbrug in Maastricht moest oversteken. Met enkele planken was het gapende bruggengat weliswaar dicht gelegd, maar bij het balancerend oversteken zag je het water onder je door stromen. De baby heeft het helaas niet gehaald en is door de moeilijk begaanbare weg - in opdracht van de ziekenzusters - ’s ochtends heel vroeg en in stilte begraven op het kerkhof aan de Tongerseweg.

Luchtalarm

Nadat in 1942 mijn zus Tiny was getrouwd ging ze met haar man Pie Aerts wonen in een appartement boven café De Keizer. Pie werd in 1943 opgeroepen om te gaan werken in Duitsland: de Arbeidseinsatz. Dat wilde hij echter niet. Om hieraan te ontsnappen moest hij onderduiken en kon dus niet bij zijn echtgenote blijven wonen. Inmiddels hadden ze echter twee baby’s die aandacht en verzorging nodig hadden. Twee zussen en ik gingen daarom ’s avonds beurtelings naar Tiny en bleven er slapen. In die tijd kwamen er vaker vliegtuigen over gevlogen, die doelen in Duitsland gingen bombarderen. Die vliegtuigen werden door de Duitsers beschoten. Er klonk dan luchtalarm, vaak midden in de nacht. Wij namen dan snel de baby’s op en renden er mee naar huis, enkele tientallen meters verderop aan Dorpsstraat 21 (Ambyerstraat Noord, waar nu de bakkerswinkel is gevestigd). Daar, bij pap en mam, voelden we ons veiliger en overnachtten met z’n allen onder het huis in de grote kelder. Dat was telkens opnieuw een angstige ervaring. Op zo’n nacht kregen we weinig slaap, maar moesten daags erna toch gaan werken.

Onderduiken

Zwager Pie was ondergedoken in de Frankenstraat. Daar kon hij echter niet te lang blijven, bovendien kon hij in deze situatie niet gaan werken en had dus ook geen inkomen. Samen met mijn andere zwager Cor kon hij echter terecht in Cuijk, waar beiden konden werken in een bakkerij. Als het enigszins kon kwamen zij in de weekeinden naar Amby. Een overbuurman was NSB-er en kreeg in de gaten dat Pie vaker bij zijn vrouw was. Op zekere avond waarschuwde hij de Duitse Sicherheitsdienst (SS), die met diverse soldaten naar Pie kwamen zoeken. Gelukkig was hun aankomst op tijd gezien. Pie kon via een luik het dak op kruipen en zich verbergen in een schoorsteen. De hele nacht hebben de Duitsers naar hem gezocht, zelfs met schijnwerpers, maar ze vonden hem gelukkig niet. ’s Morgens is Pie toen geradbraakt uit de schoorsteen kunnen kruipen. Aan de overkant van café De Keizer woonde de familie Puts. Daar zat hun zoon Jean ondergedoken in de kelder. Tijdens de zoekactie van de Duitsers is Jean via de moestuin achterom kunnen vluchten en rennend door de weilanden bereikte hij het Severenbos, waar hij de hele nacht verborgen heeft gezeten. Ook hem hebben ze gelukkig niet gevonden! Jean heeft tot wel enkele jaren thuis in de kelder geleefd en durfde zich zo goed als niet buiten te vertonen. Bij de bevrijding kwam hij weer voor het eerst op straat en zag zo bleek, dat de buurtgenoten schrokken van zijn enorme lijkwitte kleur.

Weinig voedsel

In 1943 waren levensmiddelen zeer schaars. Zelfs via bonnen was amper nog iets te verkrijgen. Er waren enorme tekorten doordat de aanvoer van spullen steeds moeilijker of zelfs onmogelijk werd, vooral toen de bevrijding in gang was gezet. Toch moest er thuis een groot gezin worden onderhouden: we woonden nog met 11 kinderen thuis. Mijn oma van moederszijde woonde Op ’t Rooth, waar we af en toe iets konden krijgen van een boer aldaar. Met Allerheiligen werden mijn zus Lies, een vriendin en ik door pap naar ’t Rooth gestuurd om brood te halen. Dat ging uiteraard te voet. We kregen nadrukkelijk de waarschuwing mee dat we vóór 15.00 uur terug moesten zijn, want op die tijd begon in de kerk het Lof en dat mocht beslist niet gemist worden. Gelukkig waren we op tijd en met brood terug. Nu hadden we ’s avonds tenminste een sneetje brood, besmeerd met zelf gekarnde boter. Een ander “feestje” was als we in onze moestuin een lekkere sappige peer konden plukken. Een met perenschijfjes belegde boterham ging dan als lunch mee naar het werk. Soms werd door mijn jongere zus eten dat mam had gekookt naar het werk gebracht. Dat gebeurde uiteraard te voet en duurde zó lang dat het voedsel te verzuurd was om nog te kunnen eten.

Jodenvervolging

Duitse soldaten bepalen het straatbeeld in de Stationstraat - JDW- P. Leenders

Rond de jaarwisseling van 1943 werd rondom verteld dat de joden her en der werden opgepakt en weggevoerd door de Duitsers. Waar ze naar toe gebracht werden en waarom was giswerk; niemand wist er precies het fijne van. Maar de opgepakte joodse buren en buurtgenoten werden niet meer teruggezien. Op een dag kwamen mijn zus en ik rond 17.00 uur terug van het werk en we liepen op de hoek van de Bergerstraat en Hoofdstraat (nu Ambyerstraat Zuid). Daar zagen we tot onze schrik Duitse legerauto’s staan. Er werden mensen uit hun huis gehaald en door soldaten en NSB-ers in een bus (of auto’s) gestopt en afgevoerd. De kinderen werden apart van hun ouders in auto’s geduwd. Ik hoorde een klein kind hard om zijn ouders roepen en ik meende er het jongste kind van de familie Moszkowicz in te herkennen. Geschrokken en hevig onder de indruk liepen we even later langs de lege woningen naar huis. Toen we na enige tijd weer op deze plek langs liepen merkten we dat die huizen weer waren bewoond door Hollands pratende mensen, waarvan de kinderen in Amby naar school gingen. Later hoorden we dat één van de joodse gezinnen een kind te vondeling had gelegd bij Vaeshartelt, in een poging om deze baby uit handen van de Duitsers te kunnen houden. Ik heb geen idee hoe dat is afgelopen.


Ambyse tijd van familie Moszkowicz

Toen ik op de lagere school zat woonde de joodse familie Moszkowicz naast “de Sjteig”, de landweg richting boerderij Van der Linden op de plek waar nu het Severenplein is. Ze hadden er een handel in huishoudelijke artikelen, maar geen echte winkel. Het gezin Moszkowicz had enkele kinderen van mijn leeftijd, waar we vaker mee speelden: Max, Hella en nog een peuter. Vlak voor de oorlog verhuisden ze naar de Hoofdstraat (nu Ambyerstraat Zuid), waar ze een handel in textiel zijn begonnen. De familie Moszkowicz had veel contact met de familie van boer Bessems, die in "de Pin" woonde en destijds o.a. melk ventte in het dorp. Toen het risico groter werd dat ook de familie Moszkowicz zou worden opgepakt, heeft deze veel spullen (huisraad) bij de familie Bessems ondergebracht. De bedoeling was dat deze na de oorlog weer konden worden opgehaald. Kort daarna werd het gezin Moszkowicz door de Duitsers gearresteerd en afgevoerd. In 1945 is Max, toen 19 jaar, als enige overlevende van zijn gezin teruggekomen. Hij werd a.h.w. “gedropt” bij voormalige cinema La Palace in Wijck en moest het van daaruit maar verder zelf uitzoeken. Hij liep toen in zijn eentje naar Amby, klopte bij de familie Bessems aan en werd daar opgevangen. In die tijd heb ik Max nog maar een enkele keer gesproken. Hij kreeg kennis met dochter Bertha, die ik kende van de lagere school, huwde haar op 20 november 1948 en beiden kregen vier kinderen. In de Spilstraat te Maastricht begonnen Bertha en Max een textielzaak: “De Spil”. Ondertussen pakte Max een studie op en werd advocaat. Later scheidde hij van Bertha en ging samen wonen met een joodse vrouw. Bertha bleef de textielzaak bestieren.

Begin van de bevrijding

Eind juli-begin augustus 1944 konden we niet meer gaan werken. Vanwege beschietingen en bombardementen was het te vaak onveilig op straat. We zagen ook V1-raketten over Amby komen, die we in de lucht zagen draaien en dan naar beneden kwamen. In die tijd zaten we heel vaak in onze kelder. Zowel overdag als ’s nachts hoorden we het luchtalarm. Een verschrikkelijke tijd, waarin je ’s morgens niet wist of je de avond nog wel haalde.

Zie ook